ECLI:NL:GHARL:2025:2226

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.347.016/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 RVV 1990Art. 43 lid 3 RVV 1990Art. 9 lid 2 sub b Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor lopen op vluchtstrook zonder objectieve noodsituatie

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het gebruik van de autosnelweg anders dan met een motorvoertuig dat sneller kan/mag dan 60 km/h, omdat hij op 3 december 2022 over de vluchtstrook liep. De betrokkene stelde dat hij vanwege een harde klap zijn voertuig op de vluchtstrook had gezet en was uitgestapt om te controleren op mogelijke schade of lekkage, wat een uitzondering op het verbod zou rechtvaardigen.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond tegen de beslissing van de officier van justitie, maar het hoger beroep richtte zich op de bevestiging van deze beslissing. Het hof overwoog dat de sanctie was opgelegd onder feitcode R461a aan de betrokkene als voetganger op de vluchtstrook, waardoor het niet relevant was met welk voertuig hij ter plaatse was.

Het hof stelde vast dat er geen objectief waarneembare noodsituatie was die het gebruik van de vluchtstrook rechtvaardigde. De vrees voor een oliespoor was onvoldoende onderbouwd en de betrokkene had met gematigde snelheid de snelweg kunnen verlaten. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €120,- voor het lopen op de vluchtstrook zonder objectieve noodsituatie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.347.016/01
CJIB-nummer
: 254256511
Uitspraak d.d.
: 11 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “R461a-autosnelweg gebruiken anders dan met motorvoertuig dat sneller kan/mag dan 60 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2022 om 10:13 uur op de Hoogvliet in Rotterdam.
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene een klap hoorde, zijn voertuig op de vluchtstrook heeft gezet en uitgestapt is om te kijken of alles in orde was. Een harde knal kan duiden op een
defect of schade en een dergelijk defect of schade kan leiden tot lekken van vloeistoffen. Dit zou levensgevaarlijk zijn en vereist zorgvuldig handelen van een bestuurder. Voor dergelijke situaties biedt artikel 43, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) een uitzondering op het verbod om gebruik te maken van de vluchtstrook. Van een vluchtstrook mag op grond van deze bepaling gebruik worden gemaakt indien sprake is van een noodgeval of een dringende reden. Een mogelijk defect dat leidt tot gevaarlijke omstandigheden, zoals het veroorzaken van een oliespoor, valt naar redelijkheid binnen deze uitzondering. Het gebruik van de vluchtstrook in deze situatie kan worden gezien als handelen uit voorzorg en als een noodzakelijke maatregel om mogelijk gevaar te voorkomen. Dat achteraf blijkt dat er geen vloeistoffen lekten of dat de schade gering was, mag niet in het nadeel van de betrokkene werken. De beoordeling moet plaatsvinden op basis van de situatie zoals deze op dat moment voor de bestuurder bekend was. De gemachtigde merkt daarbij op dat de betrokkene daar was met zijn voertuig en dat dat voertuig geen voertuig is dat minder hard kan/mag dan 60 km/h.
3. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 42, eerste lid, van het RVV 1990, en luidt als volgt:
“Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.”
4. Voor zover hier van belang luidt artikel 43, derde lid, van het RVV 1990 als volgt:
“Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.”
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Feitgegevens: (…) Categorie weggebruiker: voetganger (…) Soort voertuig: persoon (…) Ik, verbalisant, zag dat betrokken persoon op de vluchtstrook aan het lopen was ter hoogte van de afrit Hoogvliet op de A15. Ik zag dat betrokken persoon langs de vangrail liep die staat tussen de rijstrook van de afslag Hoogvliet en de Vondelingenweg. (…) Verklaring betrokkene: ik hoorde een klap onder mijn auto en ging even kijken wat het kon geweest zijn.”
6. De sanctie is onder feitcode R461a aan de betrokkene in hoedanigheid van voetganger opgelegd. Bij deze feitcode is in het feitenboekje onder meer vermeld dat het ook geldt voor voetgangers/lifters op vluchtstroken. Gelet hierop is niet relevant met wat voor voertuig de betrokkene ter plaatse was nu de sanctie aan de betrokkene als voetganger die zich op de vluchtstrook bevond, is opgelegd. Verder overweegt het hof dat de sanctie niet is opgelegd voor schending van artikel 43, derde lid, van het RVV 1990 zodat voorbijgegaan wordt aan wat op dit punt is aangevoerd. De gedraging onder feitcode R461a kan worden vastgesteld.
7. Gelet op de gronden zal het hof vervolgens beoordelen of er redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen.
8. Uit artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv volgt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden aanleiding kunnen zijn voor het oordeel dat het opleggen van een sanctie niet billijk is. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Niet is gebleken van een objectief waarneembare noodsituatie waarin de betrokkene in het belang van de (verkeers-)veiligheid niet anders kon dan zijn toevlucht nemen tot de vluchtstrook. De enkele niet nader onderbouwde vrees voor een oliespoor, is daarvoor onvoldoende. Na de beweerdelijke klap had de betrokkene ervoor kunnen kiezen met gematigde snelheid door te rijden om via de eerstvolgende afslag de snelweg te verlaten en het voertuig op een geoorloofde plek tot stilstand te brengen om het te onderzoeken. Verder is niet gebleken waarom de betrokkene is gaan lopen op de vluchtstrook en niet direct verder is gereden nadat hij geconstateerd had dat geen sprake was van olielekkage. Van redenen om de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen zijn dan ook niet gebleken.
9. De kantonrechter heeft juist beslist. Het hof zal die beslissing bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.