Appellante stond onder beschermingsbewind en had een schuldenlast van ruim €24.540,-. De rechtbank had de wsnp toegewezen maar het verzoek tot een eerdere aanvangsdatum van de regeling afgewezen, omdat geen eerdere toegangsdatum kon worden vastgesteld voor de periode vóór het nulaanbod van 2 augustus 2024.
Appellante stelde in hoger beroep dat de termijn van de wsnp op 11 maart 2024 of op 2 augustus 2024 zou moeten aanvangen, omdat zij op 11 maart 2024 een overeenkomst tot schuldregeling met de Stadsbank Oost Nederland was aangegaan en een eerste aflossing had gedaan. Het hof oordeelde dat het alternatieve aanvangsmoment volgens artikel 349a lid 1 Fw is de dag van de eerste aflossing tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening.
De wsnp-bewindvoerder had verklaard dat appellante op 18 maart 2024 een eerste aflossing van €0,01 had gedaan, wat tevens aangaf dat zij geen aflossingscapaciteit had. Dit nulaanbod werd gelijkgesteld aan een eerste aflossing. Verder bleek uit stukken dat appellante in de periode maart tot mei 2024 aflossingen had gedaan via beslag op haar uitkering. Ondanks enkele tekortkomingen in afdrachtverplichtingen, die appellante toezegde in te lopen, concludeerde het hof dat zij in voldoende mate aan de verplichtingen van het minnelijk traject had voldaan.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de termijn van de wsnp vanaf de uitspraak liet ingaan en bepaalde dat de termijn van 18 maanden aanvangt op 18 maart 2024, de datum van de eerste aflossing tijdens het minnelijk traject.