De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €400 wegens het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig op 10 augustus 2021 in Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. De betrokkene stelde in hoger beroep dat hij de beslissing van de kantonrechter niet had ontvangen en dat hij niet in zijn verdedigingsbelang was gehoord, mede omdat getuigen niet waren gehoord en een aanvullend proces-verbaal ontbrak.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was omdat niet aannemelijk was dat de beslissing van de kantonrechter was verzonden. De ambtenaar had voldoende onderbouwd dat sprake was van onnodig geluid, namelijk door een verhoogd toerental, piepende banden en slippen. De stelling van de betrokkene dat getuigen dit tegenspraken was onvoldoende onderbouwd. Het hof vond geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de ambtenaar.
Het hof matigde het sanctiebedrag van €400 naar €250 vanwege een wijziging in het boetebedrag per 1 maart 2022 die in het voordeel van de betrokkene werkte. Daarnaast werd het sanctiebedrag met 25% verminderd wegens schending van de hoorplicht, omdat de betrokkene in administratief beroep zonder gemachtigde had geprocedeerd en niet was gehoord.
De betrokkene had niet tijdig zijn adreswijziging doorgegeven, waardoor de redelijke termijn van berechting werd verlengd maar niet overschreden. De proceskosten van €1.133,75 werden aan de betrokkene toegekend. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wijzigde de sanctie tot €187,50.