ECLI:NL:GHARL:2025:2342

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.338.518/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WahvArt. 14 WahvArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor onnodig geluid veroorzaakt door motorvoertuig

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €400 wegens het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig op 10 augustus 2021 in Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. De betrokkene stelde in hoger beroep dat hij de beslissing van de kantonrechter niet had ontvangen en dat hij niet in zijn verdedigingsbelang was gehoord, mede omdat getuigen niet waren gehoord en een aanvullend proces-verbaal ontbrak.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was omdat niet aannemelijk was dat de beslissing van de kantonrechter was verzonden. De ambtenaar had voldoende onderbouwd dat sprake was van onnodig geluid, namelijk door een verhoogd toerental, piepende banden en slippen. De stelling van de betrokkene dat getuigen dit tegenspraken was onvoldoende onderbouwd. Het hof vond geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de ambtenaar.

Het hof matigde het sanctiebedrag van €400 naar €250 vanwege een wijziging in het boetebedrag per 1 maart 2022 die in het voordeel van de betrokkene werkte. Daarnaast werd het sanctiebedrag met 25% verminderd wegens schending van de hoorplicht, omdat de betrokkene in administratief beroep zonder gemachtigde had geprocedeerd en niet was gehoord.

De betrokkene had niet tijdig zijn adreswijziging doorgegeven, waardoor de redelijke termijn van berechting werd verlengd maar niet overschreden. De proceskosten van €1.133,75 werden aan de betrokkene toegekend. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wijzigde de sanctie tot €187,50.

Uitkomst: De sanctie voor onnodig geluid wordt gematigd tot €187,50 en de proceskosten worden aan de betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.518/01
CJIB-nummer
: 243362302
Uitspraak d.d.
: 16 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. F. Aamri, kantoorhoudende te Utrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 april 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht. De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de beslissing van de kantonrechter niet heeft ontvangen. De betrokkene heeft alleen een brief van het CJIB d.d. 26 januari 2024 ontvangen waaruit blijkt dat hij een bedrag van € 175,- dient te betalen. Deze brief is als bijlage bij het hoger beroepschrift gevoegd.
3. Onder de beslissing van de kantonrechter is als verzenddatum 2 oktober 2023 vermeld. Niet blijkt echter uit een verzendadministratie of anderszins, dat de beslissing van de kantonrechter daadwerkelijk is verzonden. Hetgeen zich in het dossier bevindt is - in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie - onvoldoende om de verzending aannemelijk te maken. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Het hof acht het hoger beroep van de gemachtigde – ingesteld met een beroepschrift d.d. 28 februari 2024 - ontvankelijk.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 augustus 2021 om 21.39 uur op de Burgemeester Rendorpstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde heeft gewezen op hetgeen de betrokkene in administratief beroep heeft aangevoerd, namelijk dat de verklaring van de ambtenaar onjuist is en dat meerdere getuigen bij het incident betrokken zijn geweest. Zij zijn met de betrokkene van mening dat hij geen onnodig geluid heeft veroorzaakt. Het voorgaande had aanleiding moeten vormen voor de officier van justitie om een aanvullend proces-verbaal op te vragen bij de ambtenaar. In dit verband hadden ook de getuigen gehoord moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is de betrokkene in zijn verdedigingsbelang geschaad, aldus de gemachtigde. Ook heeft de betrokkene aangevoerd dat sprake is van détournement de pouvoir. De ambtenaar heeft met het hier opleggen van de sanctie zijn bevoegdheid misbruikt. Omdat er iets tegen de ambtenaar geroepen is, heeft de ambtenaar een overtreding bedacht om de betrokkene financieel te pakken. De kantonrechter is hier ten onrechte niet op in gegaan, aldus de gemachtigde.
6. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 57 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat luidt: “Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.” Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling of sprake is van het veroorzaken van onnodig geluid in de zin van het hierboven genoemde artikel, het normale, geaccepteerde, door dat motorvoertuig veroorzaakte geluid, als uitgangspunt wordt genomen.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, bevond mij op 10 augustus 2021 te 21.35 uur op de Burg. Roelstraat te Amsterdam. Ik was op dit moment bezig met een staandehouding. Ik zag en hoorde dat genoemde verdachte met zijn personenauto voorbij reed over de Burg. Roelstraat te Amsterdam. Ik hoorde en zag dat de bijrijder uit een geopend raam het volgende luidkeels mijn richting op schreeuwde: “laat die meisjes met rust joh!”. Ik zag en hoorde dat de personenauto accelereerde en hoog in de toeren reed. Ik zag dat het voertuig rechtsaf sloeg richting de Burg. Rendorpstaat. Ik hoorde dat de personenauto met verhoogd toerental en piepende banden wegreed in de richting van het tankstation. Ik zag dat de achterbanden van het voertuig hierbij een spinnende beweging maakte en al slippend wegreed. Ik zag dat er diverse omstanders hierbij in de richting van de personenauto keken. Ik zag dat het voertuig nabij het tankstation BP tot stilstand kwam en de bijrijder richting de shop van het tankstation liep. Hierop heb ik de bestuurder staandegehouden en genoemd proces-verbaal ter zake R522 aangezegd. (…) Aan de betrokkene is de cautie verleend (…)
Verklaring betrokkene: ik wil niet met je praten.”
9. Naar het oordeel van het hof heeft de ambtenaar voldoende toegelicht waaruit het onnodige geluid bestond, namelijk dat sprake was van een verhoogd toerental en piepende banden, dat de achterbanden van het voertuig een spinnende beweging maakten en dat het voertuig vervolgens slippend wegreed. Op basis van deze verklaring kan de gedraging worden vastgesteld. Het ligt dan vervolgens op de weg van de betrokkene om te onderbouwen waarom aan de juistheid van de verklaring moet worden getwijfeld. De enkele stelling dat de bij het incident betrokken getuigen het met de betrokkene eens zijn dat geen onnodig geluid is veroorzaakt is daartoe onvoldoende. Indien de betrokkene deze stelling nader had willen onderbouwen had hij een verklaring van de door hem bedoelde getuigen kunnen overleggen. Het opmaken, door de ambtenaar, van een aanvullend proces-verbaal is niet nodig. De betrokkene is door het niet horen van de getuigen en het niet opmaken van een aanvullend proces-verbaal niet in zijn verdedigingsbelang getroffen.
10. De gedraging is verricht. Dat betekent dat de ambtenaar bevoegd is om voor de gedraging een sanctie op te leggen. Dat de ambtenaar zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe die bevoegdheid hem gegeven is, is niet aannemelijk gemaakt. Ook deze grond treft geen doel. Met betrekking tot de klacht van de gemachtigde dat de kantonrechter niet op deze grond is ingegaan, overweegt het hof dat de betrokkene in beroep bij de kantonrechter niet meer heeft aangevoerd dan dat hij in beroep gaat en een belangenbehartiger in de arm heeft genomen die nadere gronden zal indienen. Nadere gronden zijn echter niet ingediend. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de kantonrechter op dit in administratief beroep aangevoerde bezwaar had moeten ingaan.
11. Verder richten de bezwaren van de gemachtigde zich tegen de hoogte van het sanctiebedrag.
12. De gemachtigde wijst er terecht op dat het sanctiebedrag voor feitcode R522 met ingang van 1 maart 2022 is verlaagd van € 400,- naar € 250,- en dat een verandering in de hoogte van het boetebedrag na het begaan van de gedraging met onmiddellijke ingang worden toegepast als die verandering ten gunste van de betrokkene werkt. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van
28 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2330) zal het hof het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie matigen tot dat bedrag.
13. Verder is de gemachtigde van mening dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en verzoekt het hof over te gaan tot matiging van het sanctiebedrag met 25 procent, nu de betrokkene eerst zonder gemachtigde procedeerde. De gemachtigde wijst in dit verband op het arrest van het hof van 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9934.
14. Het hof stelt vast dat de betrokkene in administratief beroep zelf - dat wil zeggen zonder (professioneel) gemachtigde - heeft geprocedeerd. De officier van justitie heeft de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dat geen nadere motivering. De aangevoerde grond slaagt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de betrokkene door die schending in dit geval is komen te verkeren in zodanige omstandigheden dat het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag moet worden gematigd met 25 procent (vlg. het arrest van het hof van 22 november 2022 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
15. De gemachtigde heeft verder gewezen op de financiële situatie van de betrokkene. De betrokkene heeft forse schulden en weinig aflossingscapaciteit.
16. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd om tot de conclusie te kunnen komen dat het sanctiebedrag hier verder moet worden gematigd of op nihil moet worden gesteld.
17. Tot slot heeft de gemachtigde aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
18. Uit het dossier blijkt het volgende. De termijn van berechting is aangevangen op 10 augustus 2021, toen de betrokkene werd staandegehouden. De behandeling van de zaak stond in eerste instantie gepland op 13 juli 2023. De oproeping voor deze zitting was gericht aan het adres [adres1] in [woonplaats] . Dat was het adres van de betrokkene, zoals bekend in de procedure bij de kantonrechter. Dat de betrokkene niet meer op dit adres bereikbaar was, heeft de betrokkene in die procedure niet doorgegeven. De oproeping voor de zitting van 13 juli 2023 kwam echter als onherstelbaar retour waarna een adresverificatie volgde waaruit bleek dat de betrokkene inmiddels was ingeschreven op het adres [adres2] in [woonplaats] . Bij tussenbeslissing van 3 augustus 2023 heeft de kantonrechter vervolgens beslist de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de betrokkene op dat adres op te roepen voor de zitting van de kantonrechter. Vervolgens heeft de kantonrechter op 2 oktober 2023 beslist op het ingestelde beroep. De langere duur van de procedure is veroorzaakt doordat de betrokkene niet tijdig zijn adreswijziging had doorgegeven. Dit is aan de betrokkene toe te rekenen. De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is daardoor verlengd. Van overschrijding van die termijn is geen sprake.
19. Het hof zal als volgt beslissen.
20. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift, een nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.133,75 (= (2,5 x € 907,- x 0,5).
21. Het hof merkt tot slot op dat de advocaat-generaal ter zitting heeft aangegeven het CJIB te hebben opgedragen de opgelegde verhogingen ongedaan te maken.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt bepaald op € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.133,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.