Verzoeker, geboren in 1993, is sinds 2012 onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand. In eerdere procedures is het verzoek tot opheffing van het bewind reeds afgewezen, waarbij het hof in april 2024 de afwijzing bekrachtigde. Verzoeker stelde dat hij inmiddels zijn financiën zelfstandig kan beheren en dat het bewind niet langer noodzakelijk of zinvol is.
In hoger beroep betoogde verzoeker dat de bewindvoerder niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was en dat de kantonrechter onrechtmatig stukken had meegewogen. Het hof verwierp deze grieven, omdat verzoeker tijdens de zitting erkende dat de contactpersoon van de bewindvoerder bevoegd was en hij in hoger beroep alsnog gelegenheid had gekregen om op stukken te reageren.
Het hof oordeelde dat het behartigen van vermogensrechtelijke belangen meer omvat dan alleen betalingen doen; inzicht en overzicht in financiële verplichtingen zijn noodzakelijk. Verzoeker beschikte daar nog onvoldoende over, zoals bevestigd door de bewindvoerder en de terugkoppeling van een afgeronde afbouwtraining. Ook het gebrek aan vertrouwen en moeizame communicatie met de bewindvoerder rechtvaardigen geen opheffing van het bewind. Het verzoek tot opheffing wordt daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.