Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:2399

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
21-000884-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 26 SvArt. 167 lid 1 SvArt. 285 SvArt. 285 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep leidt tot terugwijzing naar politierechter wegens procedurele fouten

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De zaak betreft twee gevoegde strafzaken met verschillende parketnummers. Na eerdere vernietiging en terugwijzing door het hof was verdachte opnieuw gedagvaard. De politierechter sprak verdachte vrij in één zaak en paste artikel 9a Sr toe in de andere.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de procedurele juistheid van de dagvaarding. De advocaat-generaal stelde niet-ontvankelijkheid voor vanwege het vervallen van de vervolgingsgrond, terwijl de raadsman het vertrouwensbeginsel en belangenafweging aanvoerde. Het hof oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden omdat verdachte op de hoogte was van de voorwaarden van het voorwaardelijk sepot.

Het hof stelde vast dat de dagvaarding voor de zitting van 15 februari 2024 onduidelijk was en niet voldeed aan artikel 26 Sv Pro, omdat niet duidelijk was welke feiten behandeld zouden worden. Dit leidde tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Daarom vernietigde het hof het vonnis en verwees de zaak terug naar de politierechter om opnieuw recht te doen met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter wegens onduidelijke dagvaarding en schending van het recht op een eerlijk proces.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000884-24
Uitspraak d.d.: 18 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-018301-18 en 16-212275-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1996,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] .

Procesgang en omvang van onderhavig hoger beroep

Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 13 april 2018 zijn de zaken met parketnummers 16-018301-18 en 16-212275-15 door de politierechter gevoegd en heeft de politierechter verdachte, bij vonnis van 13 april 2018, veroordeeld ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 16-018301-18 onder 1 en 2 en het in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 tenlastegelegde. Tegen dit vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep heeft geresulteerd in het arrest van dit hof van 29 oktober 2019, waarbij het hof de strafzaak terug heeft gewezen naar de politierechter. Na terugwijzing is verdachte opnieuw gedagvaard en heeft de politierechter vervolgens, bij vonnis van 15 februari 2024, beslist ten aanzien van de in beide strafzaken tenlastegelegde feiten. De politierechter heeft verdachte ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 16-018301-18 onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 tenlastegelegde artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toegepast. Verdachte heeft tegen dit vonnis beperkt hoger beroep ingesteld, in die zin dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de beslissing van de politierechter ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 tenlastegelegde. Derhalve ligt het vonnis slechts in zoverre voor aan het hof.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 april 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. R.I. Takens, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich, mede op basis van haar e-mail van 1 april 2025, op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.
De zaak met parketnummer 16-212275-15 was aanvankelijk met een voorwaardelijk sepot afgedaan, maar er is, naar aanleiding van de verdenking in de zaak met parketnummer 16-018301-18, besloten om ook te vervolgen voor de in de zaak met parketnummer 16-212275-15 tenlastegelegde winkeldiefstal.
Na terugwijzing door het hof is verdachte slechts in één van de twee gevoegde zaken (opnieuw) gedagvaard, terwijl er, na de terugwijzing, een dagvaarding voor beide zaken had moeten worden betekend. Desondanks heeft de politierechter op beide zaken beslist, als waren zij (nog steeds) gevoegd. Verdachte is vervolgens vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 16-018301-18 tenlastegelegde feiten en er is toepassing gegeven aan artikel 9a Sr in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15. Gezien deze uitspraak, die de advocaat-generaal juist voorkomt, meent zij dat terugwijzing van de zaak niet meer opportuun is, omdat het enkel tijdsverloop tot gevolg zal hebben. Bovendien is met voornoemde vrijspraak de aanleiding voor vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-212275-15 komen te vervallen. Hierdoor concludeert de advocaat-generaal dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich subsidiair, naast zijn primaire standpunt strekkende tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter, eveneens op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
Hiertoe heeft de raadsman primair, conform zijn aan het hof overgelegde pleitnota, gesteld dat het vertrouwensbeginsel door het openbaar ministerie is geschonden, doordat er alsnog is vervolgd in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15, terwijl de reden voor het doorbreken van het voorwaardelijke sepot inmiddels, met de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-018301-18 tenlastegelegde, was komen te vervallen.
Voor zover het hof van oordeel is dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden, sluit de raadsman zich subsidiair aan bij het standpunt van de advocaat-generaal.
Meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het openbaar ministerie geen enkel te respecteren belang meer heeft bij de strafvervolging van verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde winkeldiefstal in laatstgenoemde zaak. Zo is niet enkel de reden voor het doorbreken van het voorwaardelijke sepot inmiddels vervallen, maar heeft verdachte ook, gezien de voor haar baan vereiste Verklaring Omtrent het Gedrag, een groot belang bij niet verdere vervolging. Bovendien zijn de weggenomen goederen van verdachte afgepakt, is niet gebleken van schade bij de [winkel] en is er geen blijk van enig belang bij de vervolging in het kader van algemene of speciale preventie.

Oordeel van het hof

Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 Sv Pro aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporings-onderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Vertrouwensbeginsel
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel als de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij een verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij of zij niet (verder) zal worden vervolgd.
Uit het dossier blijkt dat er een brief ‘Voorwaardelijk sepot verdachte’ aan verdachte is betekend op 1 april 2016. Uit die brief blijkt dat de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 is geseponeerd onder de voorwaarde dat verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren niet schuldig zal maken aan enig strafbaar feit. Omdat tijdens deze proeftijd een nieuwe verdenking was gerezen tegen verdachte, namelijk de verdenking in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15, is besloten om verdachte alsnog te vervolgen ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 tenlastegelegde. Op deze mogelijkheid is verdachte ook bij voornoemde brief gewezen, nu daarin de volgende zin was opgenomen: “Voor de goede orde meld ik u dat indien niet aan gestelde voorwaarde(n) wordt voldaan, ik alsnog strafvervolging zal instellen.”.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een situatie waarin gesproken kan worden van een schending van het vertrouwensbeginsel. Verdachte was er immers van op de hoogte dat het sepot slechts gold onder de voorwaarde dat zij zich in de proeftijd niet schuldig zou maken aan enig strafbaar feit en dat er inmiddels een verdenking was gerezen dat zij dat wel had gedaan.
Het gegeven dat er is vervolgd in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15, terwijl de reden voor het doorbreken van het voorwaardelijke sepot, met de latere vrijspraak van verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-018301-18 tenlastegelegde, was komen te vervallen, maakt dit oordeel van het hof niet anders. Dat de verdenking in de zaak met parketnummer 16-018301-18 onterecht was, is immers pas achteraf gebleken.
Het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging
Een ander geval waarin het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde kan zich voordoen als sprake is van schending van het beginsel van een redelijke en billijke afweging. Onder dit beginsel wordt verstaan dat de in aanmerking komende belangen door de officier van justitie behoorlijk tegen elkaar moeten worden afgewogen. De rechterlijke toetsing van die belangenafweging geschiedt terughoudend, in aanmerking genomen de grote beleidsvrijheid die de officier van justitie op grond van artikel 167 Sv Pro heeft bij het nemen van beslissingen omtrent de vervolging. In beginsel dient de rechter die beleidsvrijheid te respecteren. Slechts in het uitzonderlijke geval dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, is er plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, meet specifiek met het beginsel van een redelijke en billijke afweging.
Met betrekking tot het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is het hof van oordeel dat ook in dit kader geen sprake is van een schending. Het gegeven dat er alsnog is vervolgd in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15, terwijl de reden voor het doorbreken van het voorwaardelijke sepot, met de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-018301-18 tenlastegelegde, achteraf was komen te vervallen en de omstandigheden van het geval zoals door de raadsman genoemd, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van het uitzonderlijke geval dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging van verdachte in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Dat de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 betreffende de vervolging als het ware ‘meegelift’ is met de vervolging in de strafzaak met parketnummer 16-018301-18, laat namelijk onverlet dat de vervolging in de strafzaak met parketnummer 16-212275-15, die een op zichzelf staande zaak betreft, aangewezen kan zijn.

Terugwijzing

Zoals hierboven aangegeven bij de procesgang heeft de politierechter, tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 13 april 2018, de zaken met parketnummers 16-018301-18 en 16-212275-15 gevoegd conform artikel 285, eerste lid, Sv. Vervolgens heeft de politierechter verdachte ten aanzien van het in beide zaken tenlastegelegde bij vonnis van 13 april 2018 veroordeeld. Dit vonnis is vervolgens, na het door verdachte ingestelde hoger beroep, door dit hof vernietigd bij arrest van 29 oktober 2019 waarna het hof de zaak terug heeft gewezen naar de politierechter. De vernietiging door het hof ziet op de
eindbeslissingen die de politierechter heeft genomen op grond van de artikelen 348 en 350 Sv. Door de vernietiging zijn dus uitsluitend de door de politierechter bij voornoemd vonnis gegeven eindbeslissingen vervallen. De voegingsbeslissing zelf is geen eindbeslissing en is daarmee niet vernietigd door het hof. De tijdens de terechtzitting van 13 april 2018 gevoegde zaken met parketnummers 16-018301-18 en 16-212275-15 zijn daarmee ook na terugwijzing gevoegd gebleven, nu het dossier voor het overige ook geen aanwijzingen bevat dat deze zaken naderhand op grond van artikel 285, derde lid, Sv weer zouden zijn gesplitst.
Deze gang van zaken brengt met zich mee dat verdachte niet (per se) opnieuw had moeten worden gedagvaard voor de zitting van 15 februari 2024, maar dat een oproeping om te verschijnen voor de inhoudelijke behandeling van de beide gevoegde strafzaken voldoende was geweest. Uit het dossier blijkt echter dat er niet voor is gekozen om verdachte op te roepen, maar om opnieuw te dagvaarden. De dagvaarding die vervolgens aan verdachte is betekend, waarvan de raadsman eveneens een afschrift heeft ontvangen, bevatte enkel het in de zaak met parketnummer 16-018301-18 tenlastegelegde en verwees op geen enkele wijze naar de strafzaak met parketnummer 16-212275-15. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de dagvaarding niet voldeed aan de eisen die daaraan in artikel 26 Sv Pro worden gesteld, nu niet duidelijk was voor verdachte en haar raadsman welke strafbare feiten precies zouden worden behandeld tijdens de zitting van 15 februari 2024, althans het uitwerken van de verdenking van – ondanks de eerdere voeging – slechts twee feiten in een dagvaarding was potentieel verwarrend voor de ontvangers van die dagvaarding. Dat bleek ook ter zitting van de politierechter. De politierechter had bij die stand van zaken niet aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak met parketnummer 16-212275-15 kunnen toekomen, zeker nadat de raadsman een en ander had aangekaart en duidelijk had gemaakt dat hij op die strafzaak niet was voorbereid en dat hij in die zaak ook niet was gemachtigd om op te treden.
Gelet hierop kan het vonnis waarvan beroep, voor zover het hoger beroep ertegen gericht is, niet in stand blijven. Het hof zal het vonnis dan ook in zoverre vernietigen en de zaak terugwijzen naar de politierechter om, met inachtneming van dit arrest, opnieuw recht te doen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigthet vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, en doet in zoverre opnieuw recht:
wijstde zaak
terugnaar de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 18 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. E. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.