Partijen zijn in 2017 gescheiden en hebben afspraken gemaakt over kinderalimentatie en partneralimentatie. De man verzocht in 2023 om verlaging van deze alimentaties wegens gewijzigde financiële omstandigheden.
De rechtbank wees deze verzoeken af, waarop de man in hoger beroep ging. Het hof constateerde dat de door de man gevraagde kinderalimentatie gelijk is aan de reeds vastgestelde bedragen en dat kinderalimentatie voorrang heeft boven partneralimentatie. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn draagkracht is verminderd om de kinderalimentatie te betalen.
Ook voor de partneralimentatie heeft de man onvoldoende bewijs geleverd dat hij onder het bestaansminimum zou komen bij het voortzetten van de overeengekomen alimentatie. Het hof oordeelt dat de man de overeengekomen partneralimentatie ongewijzigd moet blijven voldoen.
Daarom worden de verzoeken van de man afgewezen en wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.