De zaak betreft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen van Oekraïense vluchtelingen, die sinds september 2022 in een gezinshuis verblijven. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot december 2025 en de uithuisplaatsing tot september 2025. De ouders gingen in hoger beroep omdat zij wilden dat de kinderen eerder terugkeren en verzochten om een onafhankelijk onderzoek naar terugplaatsing.
Het hof heeft de stand van zaken onderzocht, waarbij de kinderen hun mening gaven en diverse stukken zijn gewogen. De moeder is psychisch verbeterd, de vader is sinds november 2024 herenigd met de moeder en samen zijn zij bereid de opvoeding weer op zich te nemen. De GI erkent de positieve ontwikkeling maar stelt dat terugplaatsing nog niet mogelijk is. Het hof constateert echter dat de GI onvoldoende heeft aangetoond dat terugplaatsing niet mogelijk is en dat er geen serieuze stappen zijn gezet om de terugkeer te realiseren.
De kinderen vertonen loyaliteitsconflicten maar het uitgangspunt van het recht is dat kinderen bij hun ouders opgroeien. Het hof besluit daarom dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing per 15 mei 2025 eindigen, en beveelt de voorbereiding van de terugkeer. Het verzoek om een onafhankelijk onderzoek wordt afgewezen omdat de situatie voldoende duidelijk is.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd tot 15 mei 2025 en daarna vernietigd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.