De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, [de minderjarige1], die sinds november 2024 in een neutraal pleeggezin verblijft. De vader is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kinderrechter om deze machtiging te verlengen tot 7 juli 2025 en verzocht om terugplaatsing bij de grootouders.
Het hof oordeelt dat de grootouders geen belanghebbenden zijn omdat zij het kind sinds november 2024 niet meer verzorgen en opvoeden, en het recht op family life tussen grootouders en kind niet rechtstreeks wordt geraakt. De verlenging van de machtiging is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind, dat momenteel niet bij de ouders kan wonen.
Het hof benadrukt het belang van een stapsgewijze overgang naar de moeder in een moeder-kindhuis, waarbij de draagkracht van het kind leidend is. De vader verblijft sinds februari 2025 in het buitenland zonder mededeling aan betrokken instanties, wat terugplaatsing bij hem onmogelijk maakt. De moeder werkt mee aan het traject om de zorg voor het kind op te bouwen.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het beroep van de vader wordt afgewezen.