Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten van €8 die de invorderingsambtenaar van de gemeente Arnhem in rekening bracht wegens niet-betaling van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
In hoger beroep stond centraal of de aanmaningskosten terecht waren opgelegd, waarbij belanghebbende stelde dat hij de naheffingsaanslag niet had ontvangen en dat de verzending niet rechtsgeldig was. Het hof oordeelde dat belanghebbende de ontvangst van de aanmaning zelf niet betwistte, maar de naheffingsaanslag. Volgens vaste rechtspraak rust op de invorderingsambtenaar de bewijslast om de rechtsgeldige verzending aannemelijk te maken.
De invorderingsambtenaar overlegde een verklaring en stukken waaruit bleek dat de naheffingsaanslag op 5 juli 2022 via een gespecialiseerd print- en verzendbedrijf aan PostNL was aangeboden, wat het hof aannemelijk achtte. Belanghebbende bracht onvoldoende feiten aan om de ontvangst redelijkerwijs te betwijfelen.
Daarom was de invordering van de aanmaningskosten terecht en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.