De rechtbank heeft onder verwijzing naar de motivering van de voorzieningenrechter in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2023 overwogen dat het inkomensverlies van de man hem kan worden verweten. Uit de overwegingen in het door de rechtbank genoemde vonnis volgt dat de man is geschorst wegens zijn gedragingen als bestuurder van de BV’s.
Verder heeft de rechtbank in de bestreden beschikking overwogen dat de man heeft verteld dat hij zijn ontslag wenst aan te vechten. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de stelling van de vrouw dat hij zijn ontslag als bestuurder van [naam1] BV niet heeft aangevochten, echter niet betwist.
Tot slot heeft de man in hoger beroep een beschikking van de Ondernemingskamer van de rechtbank van 8 november 2024 overgelegd. Daarin zijn de verzoeken van de man een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [naam1] c.s. over de periode vanaf 1 januari 2021 en als onmiddellijke voorziening voor de duur van de procedure de vrouw te schorsen als bestuurder van [naam1] en [naam2] en hem te benoemen tot enig bestuurder van deze vennootschappen door de rechter afgewezen.
Hoewel de man, anders dan hij had aangekondigd, zijn ontslag als bestuurder niet heeft aangevochten en het bij de afwijzing van zijn verzoek om een onderzoek en voorlopige voorzieningen bij de Ondernemingskamer heeft gelaten, overweegt het hof dat geen sprake is van door de man zelf veroorzaakt inkomensverlies. Uit de beslissingen van de voorlopige voorzieningenrechter en de Ondernemingskamer blijkt dat de dynamiek en de conflicten tussen de man en de vrouw ook een grote rol spelen bij het ontslag van de man als bestuurder, waarbij niet alleen het aandeel van de man zijn ontslag heeft veroorzaakt. Bovendien is het niet reëel te verwachten dat de man weer samen met de vrouw de ondernemingen (succesvol) zal gaan voortzetten.
Wanneer sprake is van onvrijwillig inkomensverlies, is het uitgangspunt dat van het nieuwe inkomen moet worden uitgegaan. In deze zaak heeft de man echter geen (nieuw) inkomen. Dat brengt het hof tot het volgende. Vast staat inmiddels dat de man in de onderneming van partijen de afgelopen periode en de komende periode geen inkomen kan verwerven, maar de man heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een andere manier een vergelijkbaar inkomen kan verwerven. Voor de bepaling van de draagkracht gaat het immers niet alleen om het inkomen dat de onderhoudsplichtige verdient, maar ook om wat hij redelijkerwijs kan verdienen. Van de man wordt vanwege de op hem rustende zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen daarom verwacht dat hij er alles aan doet om zo snel mogelijk weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet mogelijk is dan ligt het op zijn weg om dit voldoende te onderbouwen. De man heeft dit naar het oordeel van het hof niet gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij bezig is met voorbereidingen om in de toekomst weer inkomsten in een onderneming te gaan verwerven, maar hij heeft dit niet nader geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. De man heeft aan het hof meegedeeld dat hij sinds 1997 altijd een eigen onderneming heeft gehad en nog nooit in loondienst heeft gewerkt. Hij heeft niet laten zien dat hij op wat voor manier ook zich inspant om inkomsten te verwerven (en waarom dat tot op heden niet is gelukt). Het hof leidt hieruit af dat hij het kennelijk niet nodig vindt om op banen in loondienst te solliciteren of op een andere manier inkomen te verwerven. De keuzes die de man maakt, moeten met het oog op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen, voor zijn eigen rekening en risico komen. Tot slot overweegt het hof nog dat de man ook niet heeft onderbouwd dat hij (nog) niet in staat is om inkomsten te verwerven ten gevolge van een burn-out. De vrouw heeft niet weersproken dat de man hier aanvankelijk last van had, maar betwist dat hiervan nog steeds sprake is vanaf 27 juni 2024 (ingangsdatum).
Het hof is op grond van wat het hiervoor heeft overwogen net als de rechtbank van oordeel dat de draagkracht van de man moet worden gebaseerd op zijn voormalige inkomen van € 90.000,- bruto per jaar en zal dit nog vermeerderen met de WKR Eindejaarsbonus van € 1.728,- bruto,- per jaar. Hieruit volgt een netto besteedbaar maandinkomen van € 4.511,-. Daarbij is ook rekening gehouden met de inkomensafhankelijk bijdrage ZVW van € 3.811,- per jaar. De man heeft dan een draagkracht van € 1.322,- per maand.