Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep geoordeeld over de kinderalimentatieverplichting van een vader voor zijn minderjarige zoon in een periode waarin de juridische hoofdverblijfplaats bij de vader was, maar de zoon feitelijk bij de moeder verbleef.
De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vader lag en de alimentatieverplichting op nihil werd gesteld. De moeder betwistte dit en stelde dat zij in de periode van feitelijk verblijf kosten had gemaakt en dat de alimentatie daarom moest worden toegekend. Het hof oordeelde echter dat de moeder de kosten niet aannemelijk had gemaakt en dat zij de effectuering van de uithuisplaatsing had tegengehouden.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover de alimentatie op nihil was gesteld en bepaalde dat de alimentatieverplichting van de vader voor de periode van 21 juli 2023 tot 21 november 2024 op nihil blijft. Vanaf 21 november 2024, toen de hoofdverblijfplaats weer bij de moeder werd vastgesteld, moet de vader weer alimentatie betalen conform de beschikking uit 2014, geïndexeerd.
De beslissing benadrukt het belang van de juridische hoofdverblijfplaats en de bewijsvoering omtrent gemaakte kosten en wijst de vordering van de moeder af wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De vader is geen kinderalimentatie verschuldigd voor de periode 21 juli 2023 tot 21 november 2024, ondanks feitelijk verblijf bij de moeder.