Partijen sloten in 2017 een overeenkomst waarbij appellant materialen zou leveren voor een veranda en berging. Na klachten en niet-levering werd een procedure gestart die leidde tot een vaststellingsovereenkomst in maart 2023, waarin appellant zich verplichtte materialen te leveren vóór 1 mei 2023.
Appellant leverde de materialen niet op tijd en ook niet na meerdere uitsteltermijnen. Op 15 mei 2023 brandde de houtzagerij van appellant af, maar het hof oordeelde dat dit geen excuus was omdat de levering al vóór 1 mei had moeten plaatsvinden. Geïntimeerde ontbond de vaststellingsovereenkomst en vorderde schadevergoeding.
Het hof stelde vast dat appellant tekort is geschoten en in verzuim is. De schadevergoeding werd vastgesteld op € 8.213,46, bestaande uit de meerkosten voor vervangende materialen en inkomensschade. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen. Het hoger beroep van appellant werd grotendeels afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.