De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, waarbij de moeder het verzoek tot verlenging betwistte en de gecertificeerde instelling (GI) dit juist ondersteunde. De kinderen stonden sinds januari 2014 onder toezicht, met eerdere verlengingen tot januari 2025. De vader heeft het recht op omgang met één kind ontzegd gekregen en heeft sinds december 2023 geen contact meer met de andere.
De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot januari 2026 vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van vrijwillige hulpverlening. Het hof oordeelde dat deze verlenging tot aan de datum van de beschikking terecht was, maar dat sindsdien positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden: de oudste gaat weer naar school en de jongste is gestart met psychomotore therapie, mede dankzij de inzet van de moeder.
Daarnaast is het contact tussen vader en kinderen gestopt en willen de kinderen geen contact met hem, wat het hof respecteert gezien hun leeftijd. Beide ouders zijn bereid een traject te volgen om hun ouderschap vorm te geven en onderzoeken mogelijkheden om het contact tussen vader en kind te herstellen. Het hof concludeert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer aanwezig is en wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af vanaf de datum van de beschikking.