ECLI:NL:GHARL:2025:2828

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
200.351.408/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijst verlenging ondertoezichtstelling af wegens positieve ontwikkelingen en bereidheid ouders

De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, waarbij de moeder het verzoek tot verlenging betwistte en de gecertificeerde instelling (GI) dit juist ondersteunde. De kinderen stonden sinds januari 2014 onder toezicht, met eerdere verlengingen tot januari 2025. De vader heeft het recht op omgang met één kind ontzegd gekregen en heeft sinds december 2023 geen contact meer met de andere.

De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot januari 2026 vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van vrijwillige hulpverlening. Het hof oordeelde dat deze verlenging tot aan de datum van de beschikking terecht was, maar dat sindsdien positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden: de oudste gaat weer naar school en de jongste is gestart met psychomotore therapie, mede dankzij de inzet van de moeder.

Daarnaast is het contact tussen vader en kinderen gestopt en willen de kinderen geen contact met hem, wat het hof respecteert gezien hun leeftijd. Beide ouders zijn bereid een traject te volgen om hun ouderschap vorm te geven en onderzoeken mogelijkheden om het contact tussen vader en kind te herstellen. Het hof concludeert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer aanwezig is en wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af vanaf de datum van de beschikking.

Uitkomst: Het hof wijst de verlenging van de ondertoezichtstelling af vanaf de datum van de beschikking vanwege positieve ontwikkelingen en bereidheid van ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.408
(zaaknummer rechtbank Gelderland 443593)
beschikking van 8 mei 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te Arnhem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 18 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 februari 2025;
  • het verweerschrift van de GI met producties.
2.2
De hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben bij afzonderlijke brieven van 3 maart 2025 en 10 maart 2025 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 1 april 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • twee vertegenwoordigers van de GI,
  • de vader.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2008, en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2011.
De ouders zijn samen belast met het gezag over de kinderen.
3.2
De kinderen hebben onder toezicht gestaan in de periode van 23 januari 2014 tot 23 juli 2020.
3.3
Bij beschikking van 3 januari 2023 heeft de kinderrechter de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld van de GI tot 3 januari 2024. Bij beschikking van 22 december 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 3 januari 2025.
3.4
Bij beschikking van 13 april 2023 (zaaknummer 200.304.911) heeft dit hof de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] voor onbepaalde tijd ontzegd.
3.5
[de minderjarige2] en de vader hebben sinds december 2023 geen contact meer met elkaar.
3.6
De GI heeft de kinderrechter in eerste aanleg verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar.
3.7
De moeder heeft in eerste aanleg gevraagd om het verzoek van de GI af te wijzen. Indien en voor zover de kinderrechter het verzoek van de GI wel zou toewijzen, heeft de moeder de kinderrechter verzocht een andere gecertificeerde instelling te belasten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
3.8
De vader heeft in eerste aanleg ingestemd met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 3 januari 2026 en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, althans dit verzoek af te wijzen voor de resterende periode.
4.3
De GI voert verweer. De GI vraagt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof moet beslissen over de vraag of de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terecht is verlengd.
5.2
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW Pro).
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar (artikel 1:260 BW Pro).
5.3
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling te verlengen op goede gronden is genomen. Er waren ten tijde van de bestreden beschikking op verschillende leefgebieden zorgen over de kinderen, waardoor de kinderen ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Beide kinderen hadden (en hebben) geen contact meer met de vader. [de minderjarige2] wilde al langere tijd starten met psychomotore therapie (PMT), maar dit kwam om onduidelijke redenen niet van de grond. Ook waren er op dat moment zorgen over [de minderjarige1] . [de minderjarige1] ging niet naar school, maar naar dagbesteding bij [naam1] . De kinderrechter heeft terecht overwogen dat moest worden onderzocht op welke wijze [de minderjarige1] weer onderwijs zou kunnen gaan volgen. Al deze zorgen rechtvaardigden het oordeel dat sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Gelet op de verstoorde samenwerking tussen de moeder en de GI kon op dat moment ook niet worden verwacht dat de moeder in staat was om op vrijwillige basis hulpverlening voor de kinderen te accepteren.
5.4
Sinds de bestreden beschikking hebben zich verschillende positieve ontwikkelingen voorgedaan. [de minderjarige1] gaat sinds eind januari 2025 weer naar school. Zij volgt de opleiding Zorg en Welzijn niveau 2. [de minderjarige1] is gemotiveerd voor haar opleiding en heeft het ook naar haar zin op zowel school als haar stage. [de minderjarige2] is begonnen met PMT. Hij heeft zijn intake en eerste behandeling gehad. De moeder heeft de PMT voor [de minderjarige2] geregeld en heeft [de minderjarige2] gebracht naar de intake en de eerste behandeling.
Zorgelijk is wel dat er geen contact is tussen de vader en de kinderen. Het hof heeft niet de verwachting dat een verlenging van de ondertoezichtstelling daar verandering in zal brengen, gelet op de grote weerstand van de kinderen tegen de ondertoezichtstelling. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de huidige ondertoezichtstelling het contact tussen de vader en [de minderjarige2] juist is gestopt en de vader het recht op omgang [de minderjarige1] voor onbepaalde tijd is ontzegd. De kinderen, met name [de minderjarige1] , willen op dit moment ook geen contact met de vader. Gelet op hun leeftijd moet aan deze wens ook gewicht worden toegekend. Dit neemt niet weg dat beide ouders bereid zijn een traject bij [naam2] te volgen om verder invulling te geven aan hun ouderschap. Ook onderzoeken de ouders de mogelijkheden om het contact tussen de vader en [de minderjarige2] te herstellen, bijvoorbeeld door het sturen van een kaartje of e-mail. De ouders voeren hierover gesprekken. Daarnaast informeert de moeder de vader geregeld per e-mail over de ontwikkeling van de kinderen. Anders dan de kinderrechter is het hof onder deze omstandigheden van oordeel dat niet langer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen die niet in het vrijwillig kader kan worden weggenomen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten.
5.5
Het hof zal de ondertoezichtstelling daarom vanaf de datum van deze beschikking beëindigen. Met andere woorden: het hof zal het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling afwijzen voor de periode vanaf heden.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 18 december 2024, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zich uitstrekt over de periode tot heden;
vernietigt die beschikking, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zich uitstrekt over de periode vanaf heden en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, K. Mans en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 8 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.