ECLI:NL:GHARL:2025:2873

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
Wahv 200.342.593/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens ontbreken schriftelijke machtiging en overtreding verkeerslicht

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn beroep tegen een sanctie van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De betrokkene was verhinderd bij de zitting te verschijnen en stuurde een vertegenwoordiger zonder schriftelijke machtiging, die door de kantonrechter werd geweigerd. Hierdoor werd het beroep buiten aanwezigheid van de betrokkene behandeld.

De betrokkene betwistte de overtreding van het rode verkeerslicht en stelde dat er sprake was van verwarring over het verkeerslicht en een chaotische situatie door een aanrijding. Het hof oordeelde dat de ambtenaar die de overtreding constateerde direct achter het voertuig van de betrokkene reed en duidelijk zag dat het rode licht werd genegeerd. Er was geen sprake van chaos op de rijstrook waar de overtreding plaatsvond.

Op basis van de feiten en het dossier bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter dat het beroep ongegrond is wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging en de geconstateerde overtreding van het verkeerslicht. De sanctie van €280,- blijft van kracht.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep ongegrond wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging en de geconstateerde overtreding van het rode verkeerslicht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.342.593/01
CJIB-nummer
: 256940223
Uitspraak d.d.
: 9 mei 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene voert aan dat hij bij de rechtbank heeft aangegeven dat hij verhinderd was om bij de zitting van de kantonrechter te verschijnen en heeft gevraagd of hij een vertegenwoordiger mocht sturen. De medewerker van de rechtbank heeft vervolgens aangegeven dat de vertegenwoordiger van de betrokkene zich gewoon op de dag zelf kon melden. De vertegenwoordiger heeft zich volgens afspraak gemeld, maar mocht helaas tijdens de zitting niets zeggen. Het is de betrokkene en zijn vertegenwoordiger onduidelijk waarom dit het geval was. De betrokkene stelt dat hij of verkeerd is geïnformeerd, of de kantonrechter zijn eigen regels heeft.
2. Het hof stelt voorop dat partijen zich in beroep bij de kantonrechter door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen op grond van een analoge toepassing van artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kantonrechter kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen.
3. Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de betrokkene bij brief van 28 maart 2024 is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 18 april 2024. Daarbij is de betrokkene erop gewezen dat hij zich ter zitting kan laten bijstaan door een advocaat of laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde. Beweerdelijk namens de betrokkene is ter zitting van de kantonrechter verschenen de heer [naam1] . De kantonrechter heeft daar geconstateerd dat niet gebleken is dat de heer [naam1] (schriftelijk) gemachtigd is om de betrokkene in rechte te vertegenwoordigen. Om die reden heeft de heer [naam1] van de kantonrechter niet de gelegenheid gekregen het beroep van de betrokkene (nader) toe te lichten. De kantonrechter heeft vervolgens de zaak inhoudelijk behandeld en het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
4. De kantonrechter kon handelen zoals hij heeft gedaan. In de oproep voor de zitting is de betrokkene erop gewezen dat hij zich ter zitting door een schriftelijk gemachtigde kon laten vertegenwoordigen. Toen de kantonrechter ter zitting bleek dat degene die als gemachtigde voor de betrokkene het woord wilde voeren, daartoe niet schriftelijk gemachtigd was, kon de kantonrechter vertegenwoordiging van de betrokkene door deze persoon weigeren en het beroep behandelen buiten aanwezigheid van de betrokkene of een door de betrokkene schriftelijk gemachtigde.
5. De bezwaren van de betrokkene richten zich verder tegen de opgelegde sanctie. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 april 2023 om 17.29 uur op de Basisweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De betrokkene betwist de gedraging en voert aan dat hij in eerste instantie ervan is uitgegaan dat de gedraging bij een ander verkeerslicht is begaan. Het hof begrijpt dat de betrokkene na de beslissing van de officier van justitie de betreffende kruising heeft bezocht om te kijken om welk verkeerslicht het dan wel ging. De betrokkene heeft vervolgens in het beroepschrift bij de kantonrechter gevraagd of de ambtenaar die met de afhandeling van de aanrijding bezig was kon bevestigen dat het een grote puinhoop op de kruising was en dat van doorrijden geen sprake was. Hierop heeft de betrokkene geen antwoord gekregen. Wel is aangegeven dat die ambtenaar geen aanwijzingen heeft gegeven. Dit bevreemdt de betrokkene omdat hij al had aangegeven dat het niet om die (eerdere) situatie ging.
7. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 6,0 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: 691.”
9. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
“Ik zie in het verweer van de betrokkene staan dat er een ongeval was gebeurd en dat er chaos op de weg was. Ik reed achter het voertuig van de betrokkene en deelde mee (het hof leest: nam deel) aan het verkeer. Ik zag dat de betrokkene door een verkeerslicht dat rood gloeide reed, dit verkeerslicht had nummer 691. Ik reed direct achter het voertuig toen dit door het roodgloeiende verkeerslicht heen reed. Ikzelf stond nog stil voor dit verkeerslicht. Ik zag geen politieambtenaar of een ambtenaar bevoegd voor het regelen van verkeer het verkeer regelen bij het verkeerslicht met nummer 691. Ook was de rijstrook, die loopt van verkeerslicht 691 tot verkeerslicht 661, vrijwel leeg en reed hier geen verkeer (geen “chaos”). Ook was er geen ongeval gebeurd bij dit verkeerslicht (691). Het ongeval was namelijk gebeurd ter hoogte van verkeerslicht met nummer 632. Verkeerslicht 632 heeft voor werkruimte van het ongeval niets te maken met verkeerslicht 691. Ik reed langs het verkeersongeval bij verkeerslicht 691 (het hof leest: 632) en ik zag dat hier twee politieambtenaren bij aanwezig waren en die hielden zich bezig met de afhandeling van het verkeersongeval. Ik zag dat deze politieambtenaren geen verkeer aan het regelen waren ter hoogte van verkeerslicht 691.”
10. Wat de betrokkene heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de waarneming van de ambtenaar. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de ambtenaar direct achter het voertuig van de betrokkene reed, zodat hij goed zicht had op het voertuig en het voor de betrokkene geldende verkeerslicht. Daarnaast volgt uit de (aanvullende) verklaring van de ambtenaar dat op de rijstrook bij de kruising waar de overtreding is waargenomen vrijwel geen verkeer reed. Van chaos, zoals de betrokkene stelt, was daarmee geen sprake. Dat de ambtenaar die bezig was met de afhandeling van de aanrijding hierover niet is bevraagd, maakt dit niet anders.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.