De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 258,- voor: “22 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2024 om 18:25 uur op de N217 kruising Vrouwe Huisjesweg in Mijnsheerenland met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie.
3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. De gemachtigde van de betrokkene is uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting. Hij is toen meerdere malen gebeld, maar heeft niet opgenomen. Dit kan worden aangemerkt als het niet verschijnen op een hoorzitting. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, zodat hieraan geen gevolg hoeft te worden verbonden in de vorm van een matiging van het sanctiebedrag.
4. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft namens de betrokkene administratief beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht om te worden gehoord. Bij brief van 4 juni 2024 heeft de officier van justitie de gemachtigde uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 16 juli 2024 om 12:10 uur. In deze brief is aangegeven dat als de gemachtigde dan is verhinderd, hij dit uiterlijk een week na ontvangst van deze brief dient door te geven. Niet gebleken is dat de gemachtigde hierop binnen de gestelde termijn heeft gereageerd. Uit het hoorverslag blijkt dat er op 16 juli 2024 om 12:11 uur, 12:12 uur en 12:14 uur is geprobeerd om telefonisch contact op te nemen met de gemachtigde, maar dat er telkens niet werd opgenomen. Vervolgens heeft de officier van justitie op het administratief beroep beslist zonder de gemachtigde te horen.
5. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de gemachtigde in dit geval onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Dat er meerdere pogingen zijn gedaan om de gemachtigde telefonisch te horen, is daartoe onvoldoende. Op grond van het bepaalde in artikel 7:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het uitgangspunt dat het horen in het openbaar geschiedt. Telefonisch horen is geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting, tenzij daarover overeenstemming is bereikt. Daarvan is hier niet gebleken. Voor zover de gemachtigde niet binnen de gestelde termijn op de uitnodigingbrief heeft gereageerd, vormt dit geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien. Nu zich hier ook geen van de in artikel 7:17 Awb genoemde situaties voordoet waarin van het horen kan worden afgezien, is de hoorplicht in deze zaak geschonden. Dit brengt mee dat de kantonrechter terecht het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard en die beslissing heeft vernietigd. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter dan ook worden bevestigd.
6. Met betrekking tot de inleidende beschikking voert de gemachtigde aan dat de gedraging wordt ontkend. De betrokkene stelt dat hij geen bord H1 is gepasseerd. In het dossier bevindt zich geen schouwrapport waaruit blijkt dat de bebording na de vermeende gedraging is gecontroleerd. Voorts kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een betrouwbare meting. De NMi-verklaring die hoort bij het onderhavige meetmiddel is niet te vinden. Dit betekent dat de set niet was geijkt. De inleidende beschikking dient dan ook te worden vernietigd.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat dat met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats met een gecorrigeerde snelheid van 72 km/h is gereden, terwijl de maximum snelheid aldaar 50 km/h bedraagt.
9. Voorts bevat het dossier twee foto’s waarop een voertuig met voornoemd kenteken is te zien. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
10. Tot slot bevat het dossier een proces-verbaal van schouw digitale flitspaal en bebording, waarin wordt verklaard dat op de onderhavige handhavingslocatie de bebording A1 is geschouwd. Aan het proces-verbaal is een overzicht gehecht waarin voor zover relevant staat dat de onderhavige handhavingslocatie op 9 maart 2024 en op 16 april 2024 is geschouwd en akkoord is bevonden.
11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de bovengenoemde gegevens te twijfelen. De stelling dat de betrokkene geen bord H1 is gepasseerd, kan hem niet baten. De betrokkene wordt namelijk niet verweten dat hij binnen de bebouwde kom de maximum snelheid heeft overschreden, maar dat hij buiten de bebouwde kom de maximum snelheid, aangegeven met een bord A1, heeft overschreden. Op basis van bovengenoemd proces-verbaal van schouw kan de aanwezigheid van deze bebording op de pleegdatum met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld.
12. Er is ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. De enkele stelling dat de gemachtigde de betreffende NMi-verklaring niet heeft kunnen vinden is daartoe onvoldoende. Bovendien is door de advocaat-generaal in hoger beroep een NMi-verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat het onderhavige meetmiddel op de pleegdatum was goedgekeurd.
13. Het voorgaande brengt mee dat kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
14. Met betrekking tot de door de kantonrechter toegepaste matiging van het sanctiebedrag in verband met de schending van de hoorplicht overweegt het hof het volgende. In dit geval is de hoorplicht in een individuele zaak geschonden doordat slechts is geprobeerd om de gemachtigde telefonisch te horen, terwijl hij voor een openbare hoorzitting had moeten worden uitgenodigd. Niet is gebleken dat hier sprake is van een schending met een zodanig structureel karakter dat de betrokkene, die werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde, zodanig in diens belangen is geschaad dat een compensatie moet worden geboden. Er bestaat in dit geval dus geen aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en het sanctiebedrag heeft gematigd. De beslissing van de kantonrechter zal daarom in zoverre worden vernietigd.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte een proceskostenvergoeding toegekend. Ook in zoverre zal de beslissing van de kantonrechter dan ook worden vernietigd. Dit brengt mee dat het bezwaar van de gemachtigde tegen de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde proceskostenvergoeding geen bespreking meer behoeft.