ECLI:NL:GHARL:2025:2916

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
Wahv 200.345.821/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:24 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor door rood licht rijden ondanks betwisting en afwijzing proceskostenvergoeding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het door rood licht rijden met een vrachtwagen op 30 maart 2023 in Spijkenisse. De betrokkene betwistte de overtreding en stelde dat de achterzijde van het voertuig werd geflitst terwijl het voertuig al voorbij het verkeerslicht stond. Het hof oordeelde dat ook het passeren van het rode licht met de achterzijde van het voertuig een overtreding vormt.

Het bewijs bestond uit twee digitale foto’s waarop het voertuig respectievelijk met de achterwielen bij de stopstreep stond terwijl het rode licht al 1 seconde brandde, en circa 1,3 seconden later met de achterzijde bij het verkeerslicht. De snelheid was 31 km/u bij het passeren van de stopstreep. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Het hof constateerde motiveringsgebreken in de kantonrechterlijke beslissing, met name dat niet was ingegaan op het verzoek om proceskostenvergoeding wegens schending van de hoorplicht en het verzoek om dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Desondanks oordeelde het hof dat geen proceskostenvergoeding toekomt omdat de sanctie niet werd gematigd en dat geen dwangsom verschuldigd is omdat de officier van justitie binnen twee weken na ingebrekestelling heeft beslist.

Het hof verbeterde het dictum door het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond te verklaren en die beslissing te vernietigen, maar bevestigde het oordeel dat de overtreding is begaan. Het verzoek om proceskostenvergoeding en dwangsom werden afgewezen. De sanctie van €280 bleef van kracht.

Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €280 voor door rood licht rijden en wijst proceskostenvergoeding en dwangsom af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.821/01
CJIB-nummer
: 256905960
Uitspraak d.d.
: 12 mei 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2024, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Uit de stukken blijkt dat de officier van justitie het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld. De kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 25 mei 2023 tijdig een beroepschrift ter post is bezorgd. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van proceskosten afgewezen. Gelet op de overwegingen en het (inhoudelijke) oordeel van de kantonrechter beschouwt het hof het dictum van de beslissing van de kantonrechter als een kennelijke verschrijving. Het hof zal het dictum in zoverre verbeterd lezen, namelijk dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond wordt verklaard. Voor het overige blijft het dictum in stand.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 maart 2023 om 06.49 uur op de Groene Kruisweg N218 (kruising Hartelweg) in Spijkenisse met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Hij voert (naar het hof begrijpt) aan dat de vrachtwagen voorbij de verkeerslichten en half op de kruising tot stilstand is gekomen vanwege een file. De achterkant van de vrachtwagen is hierdoor geflitst. Naar de mening van de gemachtigde ten onrechte, omdat de vrachtwagen al voorbij de stopstreep en het verkeerslicht was.
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 1,0 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgesteld met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal."
6. Het dossier bevat twee foto’s van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene, een vrachtwagen, zich met de achterwielen ter hoogte van de stopstreep bevindt, terwijl het verkeerslicht op dat moment 1,0 seconde rood licht uitstraalt. Op de tweede foto, die 1,281 seconden later is genomen, bevindt het voertuig van de betrokkene zich met de achterzijde ter hoogte van de verkeerslichten. Uit de gegevens onderaan de foto’s volgt dat het voertuig van de betrokkene met een snelheid van 31 km per uur de stopstreep is gepasseerd.
7. Verder heeft de advocaat-generaal, ter verduidelijking van de situatie ter plaatse, een afbeelding van Google Street View bij het verweerschrift gevoegd.
8. Gelet op de foto's en de daarbij behorende gegevens kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kennelijke opvatting van de gemachtigde dat niet gezegd kan worden dat men door rood licht rijdt als het voorste gedeelte van het voertuig bij groen of geel licht het verkeerslicht passeert, vindt geen steun in het recht. Ook als het voor een bestuurder geldende verkeerslicht rood licht uitstraalt op het moment dat de achterzijde van het voertuig het licht passeert, kan worden gezegd dat de bestuurder daarvan door rood licht is gereden. Deze grond treft geen doel.
9. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om proceskosten. Daaraan had de gemachtigde ten grondslag gelegd dat sprake is van schending van de hoorplicht door de officier van justitie. De gemachtigde verzoekt het hof alsnog een proceskostenvergoeding toe te kennen.
10. Het hof stelt vast dat de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding heeft afgewezen maar niet is ingegaan op deze grond van de gemachtigde. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een motiveringsgebrek. Welk gevolg aan dit gebrek moet worden verbonden, zal het hof hierna beoordelen.
11. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat slechts aanleiding als een betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Uit de enkele omstandigheid dat de hoorplicht is geschonden volgt niet dat een proceskostenvergoeding moet worden toegekend. Dat is eerst het geval als aan de schending van de hoorplicht het gevolg moet worden verbonden dat het bedrag van de sanctie wordt gematigd. Dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd heeft de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter - en ook in hoger beroep - niet aangevoerd.
12. Het is vaste rechtspraak van dit hof (zie onder meer het arrest van 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6930) dat het achterwege laten van een hoorzitting bij een professioneel gemachtigde geen structurele schending van de hoorplicht is die matiging van het sanctiebedrag of het toekennen van een proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat er om die reden niet.
13. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om een dwangsom vast te stellen wegens niet tijdig beslissen door de officier van justitie. Daarbij merkt de gemachtigde op dat vernietiging van de beslissing van de officier van justitie meebrengt dat niet tijdig op het administratief beroep is beslist. Volgens de gemachtigde is daarmee een maximale dwangsom verbeurd. Hij verzoekt het hof deze alsnog toe te kennen.
14. Het hof stelt vast dat de kantonrechter op deze grond van de gemachtigde niet is ingegaan. Ook om deze reden is sprake van een motiveringsgebrek. Tot welk gevolg dit gebrek leidt, zal het hof hierna beoordelen.
15. Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.
16. Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking in deze zaak (13 april 2023) eindigde de beroepstermijn van zes weken op 25 mei 2023. Op grond van artikel 7:24, eerste lid, Awb liep de beslistermijn daarmee af op 14 september 2023. De officier van justitie heeft bij brief van 11 september 2023 de beslistermijn met tien weken verlengd. De gemachtigde heeft de officier van justitie bij schrijven van 13 januari 2024 (ontvangen op 17 januari 2024) in gebreke gesteld. De officier van justitie heeft vervolgens op 18 januari 2024 het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Die beslissing is verzonden op 25 januari 2024.
17. Het bovenstaande brengt mee dat de gemachtigde de officier van justitie weliswaar tijdig in gebreke heeft gesteld, maar nu de officier van justitie binnen twee weken na het ontvangen van de ingebrekestelling een beslissing heeft genomen op het administratief beroep, de officier van justitie aan de betrokkene geen dwangsom verschuldigd is. Dat de kantonrechter die beslissing van de officier van justitie vervolgens heeft vernietigd, brengt niet mee dat niet tijdig door de officier van justitie op het administratief beroep is beslist.
18. De gronden van de gemachtigde slagen niet. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, gelet op de hiervoor geconstateerde motiveringsgebreken, bevestigen met verbetering van gronden. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep af;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.