In deze zaak staat de onderbewindstelling van de goederen van verzoekster centraal, die wegens haar geestelijke toestand niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen goed te behartigen. De rechtbank had deze onderbewindstelling ingesteld en een bewindvoerder benoemd. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep en stelde drie grieven in.
De eerste grief betrof de noodzaak van de onderbewindstelling. Het hof oordeelde dat de onderbewindstelling terecht is ingesteld omdat verzoekster een vastgestelde waanstoornis heeft en daardoor haar financiële problemen, waaronder een forse huurschuld, niet zelfstandig kan regelen. De tweede grief richtte zich tegen de benoeming van de bewindvoerder, waarbij verzoekster een andere bewindvoerder wenste om haar bedrijf te behouden. Het hof vond echter dat de bewindvoerder zijn taken naar behoren vervult en dat het treffen van maatregelen om de financiën op orde te krijgen noodzakelijk is.
De derde grief betrof de stelling dat de schulden niet problematisch genoeg zijn voor bewind. Het hof stelde vast dat er sprake is van problematische schulden bij diverse schuldeisers en dat afspraken zijn gemaakt om uitzetting te voorkomen. Gezien het geheel van omstandigheden zijn de grieven ongegrond en wordt de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.