Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:3021

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
200.350.071
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a lid 2 RvArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:266 lid 1 onder a en b BWArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een gezinshuis. De kinderrechter had deze machtiging verlengd tot 30 oktober 2025 vanwege de noodzakelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind.

Het hof overweegt dat de verlenging noodzakelijk is omdat het kind professionele opvoeding nodig heeft en terugplaatsing bij de moeder momenteel niet in het belang van het kind is. De moeder toonde tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende inzicht in de zorgen rondom het kind en kon geen concrete hulpverlening voor thuisplaatsing aangeven.

Het hof benadrukt dat uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel terugplaatsing, maar dat de GI een onderzoek moet aanvragen naar mogelijke beëindiging van het gezag omdat terugkeer naar de moeder niet meer wordt verwacht. Het verzoek van de moeder om een contra-expertise op grond van artikel 810a lid 2 Rv wordt afgewezen omdat dit te vroeg is en het belang van het kind zou schaden.

De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en het verzoek tot contra-expertise afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.071
(zaaknummer rechtbank Overijssel 320080)
beschikking van 15 mei 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. Brouwer,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo (O),
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de gezinshuisouders] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de gezinshuisouders.
Als informant is aangemerkt:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 16 oktober 2024, uitgesproken onder zaaknummer 320080, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 januari 2025;
-het verweerschrift van de GI met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 april 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol, als waarnemer van mr. Brouwer;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de gezinshuisouders;
- de vader.
Namens de raad is, met bericht vooraf, niemand verschenen. Aan de begeleider van de moeder en de begeleider van de vader is bijzondere toegang verleend om de mondelinge behandeling als toehoorder bij te wonen.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2018.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
3.2
[de minderjarige] is sinds 8 december 2020 uit huis geplaatst. Zij verblijft sinds 16 januari 2023 bij het huidige pleeggezin, dat inmiddels een gezinshuis is geworden.
3.3
De kinderrechter heeft vorige keer bij beschikking van 11 oktober 2023 de
ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, tot 30 oktober 2024. Bij
diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in
een gezinshuis verlengd tot 30 oktober 2024.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis voor een jaar verlengd tot 30 oktober 2025. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met de beslissing over de uithuisplaatsing en is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof
primairom de bestreden beschikking op dat punt te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen of de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken.
Subsidiairverzoekt de moeder het hof om een onderzoek op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te gelasten.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De machtiging tot uithuisplaatsing
Wat staat in de wet?
5.1
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Wat vindt het hof?
5.2
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en dat er geen aanleiding is voor een verlenging voor een kortere duur. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in stand laten (bekrachtigen) en overweegt daarover het volgende.
5.3
Gebleken is dat er veel zorgen zijn over [de minderjarige] en dat zij op dit moment zoveel van een opvoeder vraagt dat zij een professionele opvoeder nodig heeft. Het is niet te verwachten dat hier binnen de huidige looptijd van de machtiging tot uithuisplaatsing verandering in komt. Daar komt bij dat toen de moeder tijdens de mondelinge behandeling naar de zorgen over [de minderjarige] werd gevraagd, de moeder weinig inzicht in die zorgen bleek te hebben. Ook kon de moeder tijdens de mondelinge behandeling op vragen van het hof daarover niet vertellen welke hulpverlening nodig is als [de minderjarige] thuis zou wonen. Gelet op deze omstandigheden is terugplaatsing bij de moeder op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] .
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling is de vraag naar voren gekomen of een machtiging tot uithuisplaatsing wel past bij de huidige situatie. Dit omdat de GI zich op het standpunt stelt dat [de minderjarige] ook in de toekomst niet meer terug kan keren in het gezin van de moeder en de GI daarom niet meer naar thuisplaatsing werkt. Het hof benadrukt in dat kader dat een uithuisplaatsing een maatregel is die naar zijn aard tijdelijk is [3] . Het doel van deze maatregel is immers om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dan ook dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. De maatregelen kunnen naar het oordeel van het hof wel worden benut om de periode van een onderzoek naar en een beslissing over een eventuele beëindiging van het gezag te overbruggen. In dat geval is, mede gelet op de aanvaardbare termijn en de grote gevolgen die de GI in de praktijk aan een perspectiefbesluit verbindt, voortvarendheid geboden. Dat brengt met zich dat de GI een genomen perspectiefbesluit zo snel mogelijk door de raad moet laten toetsen door middel van een verzoek tot onderzoek naar een eventuele beëindiging van het gezag. Hiervan is in deze zaak echter geen sprake geweest.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in dat kader verteld dat zij dacht dat een ‘gezagsbeëindigende maatregel’ alleen kan worden gevraagd wanneer er sprake is van misbruik van gezag en dat daar geen sprake van is. Dat het gezag enkel op die grond kan worden beëindigd is echter onjuist. Zoals het hof tijdens de mondelinge behadeling heeft benadrukt kan de rechtbank het gezag van een ouder ook beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en duidelijk is dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. [4] Daarbij geldt dat een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen recht heeft op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [5]
5.5
Gelet op het voorgaande is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat de GI, omdat zij van mening is dat [de minderjarige] niet meer terug kan keren in het gezin van de moeder, bij de raad een onderzoek naar de vraag of beëindiging van het gezag in het belang van [de minderjarige] is zal moeten vragen. Omdat de huidige machtiging tot uithuisplaatsing tot 30 oktober 2025 loopt en een dergelijk onderzoek naar verwachting enkele maanden zal duren, ziet het hof ook in het voorgaande geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te verkorten.
Contra-expertise artikel 810a lid 2 Rv
Wat staat in de wet?
5.6
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat in zaken over de ondertoezichtstelling van minderjarigen de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, als dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Dit geldt ook voor zaken waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen.
Wat vindt het hof?
5.7
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI benadrukt dat het voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van belang is dat zij duidelijkheid krijgt over waar zij mag opgroeien. Omdat de GI van mening is dat [de minderjarige] niet meer bij de moeder thuis kan wonen, gaat het hof er gelet op het voorgaande van uit dat de GI zonder verdere vertraging over zal gaan tot het vragen van een onderzoek door de raad naar het gezag over [de minderjarige] . Dat betekent dat de raad een onderzoek zal verrichten naar het perspectief van [de minderjarige] . Het hof vindt het door de moeder gevraagde onderzoek gelet daarop op dit moment te vroeg en in strijd met het belang van [de minderjarige] .

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 16 oktober 2024 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 15 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.Zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23
4.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
5.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind