De vader oefent het ouderlijk gezag uit over zijn minderjarige kind, wiens moeder in 2012 is overleden. De minderjarige verblijft sinds oktober 2023 bij pleegouders. De raad heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot de meerderjarigheid van de minderjarige in augustus 2025.
De kinderrechter heeft dit verzoek op 11 december 2024 toegewezen en bepaald dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd ondanks het ingestelde hoger beroep. De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzoekt het hof de machtiging tot uithuisplaatsing ongedaan te maken.
Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het beroepschrift, het verweerschrift van de gecertificeerde instelling en de schriftelijke mening van de minderjarige zelf. Tijdens de zitting op 10 april 2025 waren de advocaat van de vader en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig.
Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend en verlengd omdat de minderjarige niet thuis kan wonen. De samenwerking tussen vader en de gecertificeerde instelling verloopt niet goed; vader weigert contact en hulp, wat het opstellen van een opvoedperspectief en thuisplaatsing onmogelijk maakt. De minderjarige wenst zelf bij de pleegouders te blijven, wat het hof in haar oordeel betrekt.
Het belang van de minderjarige bij rust, stabiliteit en duidelijkheid over haar woonplek weegt zwaar. Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de kinderrechter en handhaaft de machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 augustus 2025.