De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de verlichting/retroreflecterende voorzieningen niet aan de vereiste kleur voldoen (feitcode: N515)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 januari 2022 om 10.56 uur op de Pollaan in Zutphen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich namens de betrokkene op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter onjuist is, omdat feitcode N514b in dit geval de juiste feitcode zou moeten zijn. Artikel 5.2.51 lid 1 onder d van de Regeling voertuigen (Rv) schrijft voor dat personenauto’s moeten zijn voorzien van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen. Het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 zijn genomen moet knipperen. In dit geval is sprake van niet goed werkende waarschuwingsknipperlichten, omdat deze continu brandden en dus niet knipperden. De stelling van de ambtenaar en de advocaat-generaal dat de richtingaanwijzers van de betrokkene plots zijn veranderd in dagrijverlichting is onjuist. De richtingaanwijzers brandden continu. Deze kunnen niet worden aangemerkt als één licht als bedoeld in artikel 5.1a.4 van de Rv.
3. De gedraging met feitcode N515 betreft de overtreding van het bepaalde in artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de ten tijde van de gedraging geldende Rv, in verbinding met de artikelen 5.2.51 tot en met 5.2.59 van die regeling. In de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv luidt de omschrijving van de gedraging bij feitcode N515: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de verlichting/retroreflecterende voorzieningen niet de vereiste kleur hebben”.
4. De gedraging met feitcode N514b betreft de overtreding van het bepaalde in artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de ten tijde van de gedraging geldende Rv, in verbinding met de artikelen 5.2.51 tot en met 5.2.63 van die regeling. In de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv luidt de omschrijving van de gedraging bij feitcode N514b: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het niet is voorzien van (een) goed werkend(e) waarschuwingsknipperlichten.”
5. Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de ten tijde van de gedraging geldende Rv luidt: “Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig: (…)
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.”
6. Hoofdstuk 5, afdeling 2, paragraaf 10, van de Rv handelt over lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s. Het in die paragraaf opgenomen artikel
5.2.51, eerste lid, onder d, Rv bepaalt:
“dat personenauto’s moeten zijn voorzien van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
Artikel 5.2.53, onderdeel 2, Rv luidt: “De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.”
En artikel 5.2.59, onderdeel 7, Rv luidt: “De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.”
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag het voertuig rijden voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik zag dat dit voertuig de verlichting aan de voorzijde had ingesteld als ‘USA lights’. Hierdoor branden continu oranje richtingaanwijzers. (…)
Verklaring betrokkene: ik vind de uitstraling mooi.”
Het dossier bevat verder een foto van de vermeende gedraging. Hierop is de voorzijde van het voertuig van de betrokkene te zien. De rechter richtingaanwijzer straalt duidelijk zichtbaar oranje licht uit, terwijl de andere richtingaanwijzer wordt overstraald door de overige verlichting in het lamphuis en een oranje ondertoon zichtbaar is.
9. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 6 juli 2022. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
“ (…) Ik zag in het bezwaarschrift dat vanuit het Openbaar Ministerie staan dat ik commentaar moet geven op het verweer van de betrokkene. De betrokkene zegt dat hij het er niet mee eens is. Hij zegt dat de lampen allemaal werken en de juiste kleur hebben. Ook staat er de vraag van het OM:
Uit het zaakoverzicht blijkt dat de richtingaanwijzers continu oranje branden. Uit de foto lijkt het echter de juiste kleur te zijn. Is de juiste feitcode gebruikt?
Ik kan op beide in een reactie reageren. Er wordt in beide opmerkingen gezegd dat de kleuren aan de voorzijde van de auto de juiste kleur hebben. Dit is niet correct en ik heb de juiste feitcode gebruikt. De betrokkene in deze gebruikt de richtingaanwijzers als dagrijverlichting doordat deze continu branden. Deze heeft niet de juiste kleur. Dagrijverlichting moet wit van kleur zijn. Als de oranje richtingaanwijzers gebruikt worden als dagrijverlichting hebben deze niet de juiste kleur. Oranje dagrijverlichting is niet toegestaan.”
10. Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de lampen van de richtingaanwijzers van het voertuig van de betrokkene ten tijde van de waarneming van de gedraging door een aanpassing in de elektronische aansturing continu oranje licht uitstraalden en aldus fungeerden als dagrijlichten. Bij het bedienen van de richtingaanwijzerschakelaar werken de lampen overeenkomstig hun oorspronkelijke functie en gaan ze oranje knipperen. Wanneer de richtingaanwijzers niet zijn ingeschakeld en de lampen continu branden hebben de betreffende lampen geen functie als richtingaanwijzer. Dit betekent dat kan worden vastgesteld dat de betrokkene ten tijde van het vaststellen van de gedraging reed als bestuurder, terwijl de dagrijverlichting oranje licht uitstraalde. De beslissing van de kantonrechter kan worden bevestigd.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).