Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking van de gemeente Soest en stelde een beroep in wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar. De Rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk, wees de dwangsombeschikking af en kende een immateriële schadevergoeding van € 100 toe.
In hoger beroep stond de hoogte van de immateriële schadevergoeding, vergoeding van griffierecht en proceskosten ter discussie. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank ten onrechte de heffingsambtenaar niet in de proceskosten had veroordeeld en verhoogde de immateriële schadevergoeding naar € 1.000 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Verder stelde het Hof vast dat op grond van jurisprudentie vóór het arrest van 31 mei 2024 de vergoeding van griffierecht aan belanghebbende toekomt. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 2.721. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover deze niet in proceskosten en griffierecht voorzag.