ECLI:NL:GHARL:2025:321

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
22 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.337.403/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 13a, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof vernietigt beslissing kantonrechter en wijst proceskostenvergoeding toe in hoger beroep Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het hof oordeelt dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had om de beroepsgronden aan te vullen, en wijst het verweer dat dit niet mogelijk was af.

De gedraging, het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig, werd ontkend door de betrokkene, maar het hof acht de gegevens in het dossier voldoende om de gedraging vast te stellen. De officier van justitie had de feitcode en sanctiebedrag gewijzigd, maar had het verzoek om proceskostenvergoeding niet toegekend. Het hof oordeelt dat dit onterecht was en wijst de proceskostenvergoeding toe.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover geen proceskostenvergoeding is toegekend, verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond, vernietigt de beslissing van de officier van justitie voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van € 712,- aan de betrokkene.

Uitkomst: Het gerechtshof wijst een proceskostenvergoeding toe en vernietigt de beslissing van de kantonrechter en officier van justitie voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.403/01
CJIB-nummer
: 249114848
Uitspraak d.d.
: 22 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene neemt het standpunt in dat de kantonrechter hem ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden om de beroepsgronden aan te vullen, terwijl in het beroepschrift is verzocht om het verlenen van een termijn om de beroepsgronden aan te vullen.
2. Het hof stelt het volgende vast. De gemachtigde heeft op 26 augustus 2022 via het Digitaal Loket Verkeer beroep ingesteld bij de kantonrechter. Hierbij heeft de gemachtigde verzocht om hem een nadere termijn te verlenen voor het aanvullen van de gronden van het beroep. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 15 november 2023 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 11 januari 2024. In die brief is medegedeeld dat op de zitting in de eerste plaats de financiële omstandigheden aan de orde komen. Alleen wanneer de kantonrechter oordeelt dat geen zekerheid hoeft te worden gesteld, zullen ook de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde sanctie worden behandeld. Op de zitting van de kantonrechter op 11 januari 2024 is de gemachtigde niet verschenen. De kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene (het hof begrijpt: de gemachtigde) bij brief d.d. 15 november 2023 is uitgenodigd voor de onderhavige zitting van de kantonrechter en daarbij de gelegenheid heeft gekregen om mondeling op dan wel voorafgaand aan die zitting schriftelijk de gronden aan te vullen. Daarvan is geen gebruik gemaakt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de betrokkene (het hof leest: de gemachtigde) in de gelegenheid te stellen om de beroepsgronden in het geding te brengen, nu de betrokkene (het hof leest: de gemachtigde) daar acht weken de tijd voor heeft gehad vanaf het moment dat hij was opgeroepen.
3. Nu in de oproepingsbrief voor de zitting van 11 januari 2024 is medegedeeld dat de kantonrechter mogelijk overgaat tot de inhoudelijke behandeling van de zaak had de gemachtigde naar het oordeel van het hof naar aanleiding van de oproeping voor deze zitting en/of ter zitting de gronden van het beroep kunnen aanvullen. De aangevoerde grond faalt.
4. De gemachtigde ontkent verder namens de betrokkene de gedraging. Voorts voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl de officier van justitie de feitcode heeft gewijzigd.
5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “R522 - als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 april 2022 om 23.34 uur op de locatie Coolhaven in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking bij beslissing van 12 augustus 2022 gewijzigd, in zoverre dat de feitcode is gewijzigd in R419 met als bijbehorende omschrijving van de gedraging “signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag” en het bedrag van de sanctie is gewijzigd in € 150,-.
7. De gemachtigde stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie op het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft beslist. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de officier van justitie.
9. De grond omtrent het ten onrechte niet toekennen van een proceskostenvergoeding door de officier van justitie slaagt. Met de wijziging van de inleidende beschikking voor wat betreft de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het sanctiebedrag is de betrokkene door de officier van justitie in het gelijkgesteld, zodat de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof met gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de kantonrechter doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaren, diens beslissing vernietigen, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen, en een proceskostenvergoeding toekennen.
11. Aan het indienen van het administratief beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 485,25 (= 1,5 x € 647,- x 0,5).
12. Naar het oordeel van het hof bestaat in casu aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. De gemachtigde heeft het rechtsmiddel van hoger beroep moeten aanwenden om een proceskostenvergoeding ten aanzien van de fase van het administratief beroep vastgesteld te krijgen. Nu de grond omtrent het ten onrechte niet toekennen van een proceskostenvergoeding door de officier van justitie voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd, terwijl niet is gebleken dat de gemachtigde deze grond niet in de procedure bij de kantonrechter heeft kunnen aanvoeren, ziet het hof aanleiding om de vergoeding van proceskosten te beperken tot de procedure van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 226,75
(= 1 x € 907,- x 0,25).
13. Het hof zal de advocaat-generaal, gelet op het voorgaande, veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 712,- (= € 485,25 + € 226,75).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover geen proceskostenvergoeding is toegekend;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 712,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.