Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265g BWArt. 807 onder a Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid vader in hoger beroep tegen vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing GI
De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen die bij de moeder wonen. De gecertificeerde instelling (GI) had de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven om de omgang met de kinderen te beperken, welke later werd ingetrokken. De vader verzocht de kinderrechter om deze aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, maar dit verzoek werd afgewezen.
De vader ging in hoger beroep tegen deze afwijzing. Het hof heeft echter geoordeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de wet (artikel 807 onderPro a Rv) bepaalt dat tegen beslissingen op grond van artikel 1:264 BWPro geen hoger beroep openstaat, slechts cassatie in het belang der wet.
De vader stelde dat hoger beroep wel mogelijk zou zijn indien de aanwijzing betrekking had op een verdeling van zorg- en opvoedingstaken, maar het hof oordeelde dat dit niet het geval was en dat er geen sprake was van een uithuisplaatsing. Ook werd geen beroep gedaan op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Daarom kwam het hof niet toe aan inhoudelijke beoordeling en verklaarde het de vader niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hof verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.350.847
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580053
beschikking van 27 mei 2025
over de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J. Brouwer
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[de verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. M.M. Hoogerdijk
1.Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk, vervallen te verklaren, afgewezen. Het hof beslist dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en legt hierna uit waarom.
2.De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2019 en
[de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
In de beschikking van 21 juni 2024 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI tot 21 juni 2025.
3.De procedure bij de kinderrechter
3.1.
De GI heeft op 7 augustus 2024 aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven. In de schriftelijke aanwijzing staat dat de contacten tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wordt beperkt, in die zin dat de (begeleide) omgang per direct is stopgezet. In de aanwijzing is voorts gesteld dat de omgang kan worden hervat, als de vader met de hulpverlening in gesprek gaat over het maken van (nieuwe) veiligheidsafspraken en de inzet van hulpverlening tijdens de omgang. De GI zal de frequentie en de omvang van de begeleide omgang bepalen. In aansluiting op de begeleide omgang wordt van de vader verwacht dat hij meewerkt aan opvoedondersteuning en hierin respectvol is tegen de hulpverleners. Tenslotte staat in de aanwijzing dat wanneer de vader niet meewerkt aan het maken van veiligheidsafspraken rondom de omgang en niet meewerkt aan de begeleiding, de GI de omgang tussen de vader en de kinderen zo lang als nodig is zal stopzetten.
3.2.
Op 11 oktober 2024 heeft de GI de schriftelijke aanwijzing ingetrokken.
3.3.
De vader heeft de kinderrechter verzocht om de schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter heeft het verzoek van de vader afgewezen.
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 13 november 2024.
4.De procedure bij het hof
4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof zijn verzoek alsnog toewijst.
4.2.
De moeder wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift van de vader; en
het verweerschrift van de moeder.
4.4.
De zitting bij het hof was op 15 mei 2025. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI; en
de moeder met haar advocaat.
5.Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1.
Op grond van artikel 1:263 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op grond van het tweede lid van dat artikel dienen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige deze aanwijzingen op te volgen.
5.2
De kinderrechter kan op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren (artikel 1:264 lid 1 BWPro).
5.3.
Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (artikel 1:265g BW).
Het oordeel van het hof
5.4.
Het hof is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 807 onderPro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat tegen beslissingen op grond van artikel 1:264 BWPro geen andere voorziening open staat dan cassatie in het belang der wet. De vader verzocht aan de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren. De wettelijke grondslag daarvoor is artikel 1:264 BWPro. De kinderrechter heeft op dat verzoek (afwijzend) beslist. Omdat op grond van artikel 807 onderPro a Rv geen hoger beroep open staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:264 BWPro kan de vader niet worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep. Namens de vader is op de mondelinge behandeling betoogd dat als een schriftelijke aanwijzing is gegeven die betrekking heeft op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoger beroep wel open staat. Dit is juist als sprake is van de uitzonderingssituatie van artikel 807 onderPro a Rv en het gaat om een beschikking op grond van artikel 1:264 BWPro in combinatie met artikel 1:265f lid 2 BW. Dat betreft een situatie waarin sprake is van een uithuisplaatsing van een minderjarige, maar daarvan is in deze zaak geen sprake. Het hof merkt nog op dat door de vader geen beroep is gedaan op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.
5.5.
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van de vader.
6.De beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is door mr. K.A.M. van Os-ten Have in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.