Eiser stelde beroep in tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de gemeente Den Haag op grond van artikel 154b van de Gemeentewet. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat eiser geen zekerheid had gesteld voor betaling van de boete, terwijl eiser een draagkrachtverweer voerde dat niet ter zitting werd behandeld.
Het hof constateert dat eiser niet correct is gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling, aangezien de griffie dit niet tijdig en volgens de wettelijke termijn van twee weken heeft gedaan. Daarnaast had de kantonrechter het draagkrachtverweer moeten behandelen door eiser in de gelegenheid te stellen dit toe te lichten tijdens een zitting.
Gezien deze procedurele tekortkomingen vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een correcte behandeling, waarbij het draagkrachtverweer wordt betrokken en de zekerheidsstelling conform de wettelijke eisen wordt beoordeeld.