ECLI:NL:GHARL:2025:3316

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 mei 2025
Publicatiedatum
30 mei 2025
Zaaknummer
GEMW 200.348.656/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154b GemwArt. 154n GemwArt. 154k GemwArt. 20d, tweede lid WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep bestuurlijke boete wegens onjuiste zekerheidsstelling

Eiser stelde beroep in tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de gemeente Den Haag op grond van artikel 154b van de Gemeentewet. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat eiser geen zekerheid had gesteld voor betaling van de boete, terwijl eiser een draagkrachtverweer voerde dat niet ter zitting werd behandeld.

Het hof constateert dat eiser niet correct is gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling, aangezien de griffie dit niet tijdig en volgens de wettelijke termijn van twee weken heeft gedaan. Daarnaast had de kantonrechter het draagkrachtverweer moeten behandelen door eiser in de gelegenheid te stellen dit toe te lichten tijdens een zitting.

Gezien deze procedurele tekortkomingen vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een correcte behandeling, waarbij het draagkrachtverweer wordt betrokken en de zekerheidsstelling conform de wettelijke eisen wordt beoordeeld.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor behandeling van het draagkrachtverweer en correcte zekerheidsstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.348.656/01
Uitspraak d.d.
: 30 mei 2025
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 september 2024, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet (hierna: Gemw) met kenmerk [nummer1] .

Het verloop van de procedure

Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen zekerheid heeft gesteld en er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat dit verzuim niet aan eiser zou mogen worden toegerekend.
2. Eiser voert aan dat hij in afwachting was van een nieuwe oproep voor de behandeling ter zitting nadat de behandeling op 25 mei 2022 door de kantonrechter was aangehouden. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard zonder dat eiser verweer kon voeren.
3. In artikel 154n van de Gemw is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“1. De behandeling van het beroep vindt plaats binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, ter hoogte van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.
3. De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete heeft opgelegd, hetzij door middel van een aan betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van de het bestuursorgaan. De griffie van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidsstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
4. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer eiser financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter eiser uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat eiser inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor eiser wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij eiser een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. Uit het dossier blijkt het volgende.
  • Eiser is bij brief van 3 januari 2022 door verweerder gewezen op de verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de bestuurlijke boete. Bij brief van 20 januari 2022 heeft verweerder eiser herinnerd aan deze verplichting en is eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Daarbij is vermeld dat eiser dient te betalen vóór 27 januari 2022.
  • Bij brief van 27 januari 2022 geeft eiser aan dat hij vanwege onvoldoende financiële middelen onmogelijk aan de verplichting tot zekerheidstelling kan voldoen omdat de gemeente Amsterdam zijn uitkering per 1 januari 2022 heeft beëindigd.
  • Bij brief van 11 april 2022 is eiser door de griffier van de rechtbank opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 25 mei 2022. Bij e-mail van 20 mei 2022 heeft eiser de griffie van de rechtbank laten weten dat hij de oproep voor de zitting niet heeft ontvangen en verzocht om een nieuwe oproepdatum te stellen. Bij brief van 25 mei 2022 heeft de griffier van de rechtbank eiser bericht dat de behandeling van het door eiser ingestelde beroep voor onbepaalde tijd is aangehouden en dat hij te zijner tijd een nieuwe oproep ontvangt.
  • Bij brief van 16 mei 2024 heeft de griffier van de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld alsnog het bedrag ter hoogte van de bestuurlijke boete te betalen aan de gemeente, binnen één week na dagtekening van die brief.
  • De kantonrechter heeft vervolgens een beslissing genomen zonder dat de zaak op zitting is behandeld. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat uit het systeem van de wet volgt dat in het geval van niet of niet tijdig stellen van zekerheid de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder betrokkene te horen.
7. Het hof stelt vast dat eiser met de brieven van 3 januari 2022 en 27 januari 2022 niet, zoals artikel 154n, derde lid, van de Gemw bepaalt, door de griffie van de rechtbank maar door verweerder is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid. Met de brief van 16 mei 2024 wordt eiser vervolgens wel door de griffie van de rechtbank gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling, maar in deze brief wordt aangegeven dat de zekerheidstelling binnen één week dient te geschieden, in plaats van twee weken zoals artikel 154n, derde lid, van de Gemw bepaalt. Dit betekent dat eiser niet op de juiste wijze is gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid.
8. Evenmin heeft de kantonrechter het door eiser bij brief van 22 januari 2022 gevoerde draagkrachtverweer goed behandeld. De kantonrechter had eiser in de gelegenheid dienen te stellen dit draagkrachtverweer ter zitting van de kantonrechter toe te lichten en eerst daarna te beslissen omtrent de vraag of en in hoeverre zekerheid gesteld moest worden. Voor zover de brief van de griffie van de rechtbank van 16 mei 2024 als een weergave van de beslissing van de kantonrechter op het gevoerde draagkrachtverweer is te beschouwen, is derhalve niet gehandeld overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom, gelet op artikel 154k van de Gemw juncto artikel 20d, tweede lid van de Wahv vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.