ECLI:NL:GHARL:2025:3406

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.760/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens onvoldoende zicht door voorste zijruiten tijdens rijden

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden met onvoldoende zicht door de voorruit en/of voorste zijruiten op 28 november 2022. De kantonrechter matigde de sanctie tot €140,62 en kende een proceskostenvergoeding toe. De betrokkene ging in hoger beroep en voerde aan dat de ambtenaar niet in het voertuig had plaatsgenomen en dat de ramen tijdens het rijden niet beslagen waren, in tegenstelling tot de foto's die later werden gemaakt.

Het hof oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld aan de hand van het dossier, waaronder foto’s waarop condens en vochtdruppels zichtbaar waren. Het was niet vereist dat de ambtenaar in het voertuig zat om de overtreding vast te stellen. De stelling van de betrokkene dat er tijdens het rijden voldoende zicht was, was onvoldoende om twijfel te zaaien over de juistheid van de gegevens.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie bleef gehandhaafd op €140,62. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €140,62 voor rijden met onvoldoende zicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.760/01
CJIB-nummer
: 254119232
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 december 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,62. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 749,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor:
“als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 november 2022 om 14.40 uur op de locatie Bruggelen (A1) in de gemeente Apeldoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Hij voert aan dat de betrokkene korter op het raam zat dan de ambtenaar die de betrokkene van een afstand heeft zien rijden. Daarnaast heeft de ambtenaar niet achter het stuur plaatsgenomen om te beoordelen of er al dan niet voldoende zicht was. Bovendien zijn de foto’s door de ambtenaren gemaakt nadat het voertuig al een poos stilstond. De ramen waren toen beslagen maar al rijdend was dat niet het geval. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking komt.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:
“Wij, verbalisanten, zagen dat zowel de (en ook de achterruit) beide voorste zijruiten in zijn geheel niet ontwasemd waren. Dikke vochtdruppels zichtbaar. Ter ondersteuning zijn foto’s toegevoegd. Echter, nog voor het aanspreken van de bestuurder had deze zijn portierraam naar beneden gedraaid. Na het omhoog draaien was deze minder voorzien van condens dan tijdens het rijden gezien. Deze zag er ten tijde van overtreding net zo uit als die van de bijrijder. (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: De blower werkt niet goed. We zijn de ruiten wel de hele tijd aan het schoonmaken.”
5. Daarnaast bevat het dossier de door de ambtenaren tijdens de staandehouding gemaakte foto’s van het voertuig van de betrokkene. De eerste foto betreft de bestuurderskant van het voertuig. Daarop is te zien dat op het bovenste deel van de voorste zijruit een waas zichtbaar is. Op het onderste deel van de ruit zijn strepen te zien en druppels. De tweede foto betreft de andere zijde van het voertuig. Op de gehele voorste zijruit is een waas zichtbaar. Aan de randen van die ruit is de waas witter. Ook zijn op sommige delen druppels zichtbaar. Door de ruit is de contour van een passagier zichtbaar.
6. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de stukken in het dossier worden vastgesteld dat er met voormeld voertuig is gereden, terwijl het uitzicht via de voorste zijruiten zodanig werd beperkt door condens dat moet worden geoordeeld dat het zicht door die ruiten niet voldoende was. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, kan deze gedraging ook op andere wijze worden geconstateerd dan door plaats te nemen in het voertuig. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van foto’s. Dat de door de ambtenaren gemaakte foto’s van het voertuig geen juist beeld geven van de situatie ten tijde van het daadwerkelijk besturen van het voertuig, is door en namens de betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van de gemachtigde dat er al rijdend wel voldoende zicht was, is onvoldoende om aan de gegevens in het dossier te twijfelen.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.