Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:3494

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
21-004130-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis oplichting met aanvulling bewijsmiddelen en strafmotivering

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 6 juni 2025 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 september 2024. Verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, voor meermalen gepleegde oplichting. De rechtbank had ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering en ambulante behandelverplichtingen.

In hoger beroep heeft het hof de bewijsmiddelen aangevuld met bijlagen uit het proces-verbaal van aangifte en de strafmotivering uitgebreid. De verdediging voerde aan dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diabetes en eerdere traumatische detentie-ervaringen, aanleiding zouden moeten zijn tot matiging van de straf. Het hof oordeelde echter dat verdachte niet detentieongeschikt is en dat de eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten juist een reden is om de straf te handhaven.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarbij het belang van de ernst van de feiten en de recidive zwaar wogen. De straf is passend en geboden geacht, mede gelet op de toepasselijke artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Het hof bevestigt de deels voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden voor meervoudige oplichting.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004130-24
Uitspraak d.d.: 6 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 september 2024 met parketnummer 18-189822-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Jakobs naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Op 24 september 2024 is verdachte door de rechtbank voor het meermalen plegen van oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbonden van een meldplicht bij de reclassering, en ambulante behandelverplichting, het meewerken aan schuldhulpverlening en het meewerken aan ambulante begeleiding. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Tot slot heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Hierdoor ligt de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet meer voor en hoeft het hof daarover geen beslissing meer te nemen.
Op grond van de bewijsmiddelen, zoals die in het uitgewerkte vonnis zijn opgenomen, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, meermalen gepleegd. Het hof ziet aanleiding om de bewijsmiddelen en de strafmotivering zoals opgenomen in het vonnis aan te vullen. Het vonnis zal voor het overige worden bevestigd.

Aanvulling bewijsmiddelen

Ten aanzien van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vult het hof bewijsmiddel 2 in die zin aan dat ook de bijlagen bij dit proces-verbaal van aangifte voor het bewijs worden gebruikt. Het gaat hierbij om bijlage 1 op pagina 16 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024085517 van 11 juni 2024, bijlage 2 op pagina 19 en verder van voornoemd dossier en bijlage 3 op pagina 20 en verder van voornoemd dossier.

Aanvulling strafmotivering

De verdediging heeft op de zitting van het hof aangevoerd dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding geven de deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank te matigen en om een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Ten aanzien van deze persoonlijke omstandigheden van verdachte is op de zitting van het hof naar voren gebracht dat verdachte kampt met gezondheidsproblemen. Verdachte heeft last van diabetes en heeft daardoor klachten aan zijn voeten waardoor hij veelvuldig afspraken heeft in het ziekenhuis. Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte in detentie geen adequate behandeling kan ontvangen.
Het hof is echter niet gebleken dat de verdachte – wegens zijn ziekte of anderszins – detentieongeschikt is. Het hof weegt daarbij mee dat eventuele benodigde ziekenhuiscontroles tijdens de detentieperiode doorgang kunnen vinden en dat hem passende medische zorg zal worden geboden.
Daarnaast is door verdachte naar voren gebracht dat een eerder ondergane gevangenisstraf voor hem traumatisch is geweest. Het hof overweegt hierover dat verdachte op 19 november 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijke oplichtingszaak tot een gevangenisstraf van tien maanden. Verdachte ging toentertijd, zij het op grotere schaal, op een vergelijkbare wijze te werk als ten tijde van de onderhavige feiten. De in die zaak opgelegde gevangenisstraf voor soortgelijke feiten heeft verdachte, hoe vervelend hij die straf ook heeft ervaren, er niet van weerhouden nogmaals oplichting te plegen. Hij wist wat hem te wachten stond als hij opnieuw dergelijke feiten zou plegen en heeft, door dat toch te doen, zelf het risico genomen opnieuw tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld te worden. Net als de rechtbank ziet het hof hierin geen argument om af te zien van oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof acht dan ook – alles overwegende – in wat door de raadsvrouw en verdachte is aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende reden om af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf. Deze straf is met name gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat verdachte voor een zelfde soort strafbaar feit eerder onherroepelijk is veroordeeld, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en op 6 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.