Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:3502

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
200.353.511/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ondertoezichtstelling minderjarige na succesvolle statusvoorlichting

In deze zaak stond de ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal, die door de kinderrechter was uitgesproken vanwege een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De minderjarige had geen statusvoorlichting gekregen over zijn afstamming, wat de voornaamste bedreiging vormde.

De vader had een verzoek ingediend voor statusvoorlichting, hulpverlening en een contactregeling, waarop de raad voor de kinderbescherming een ondertoezichtstelling had gevraagd. De kinderrechter stelde de ondertoezichtstelling in van januari 2025 tot januari 2026.

In hoger beroep stelde de moeder zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling moest worden beëindigd. Het hof oordeelde dat de statusvoorlichting inmiddels had plaatsgevonden en dat de minderjarige hier goed op had gereageerd, waardoor de ontwikkelingsbedreiging was weggenomen. De minderjarige gaf aan momenteel geen omgang met de vader te willen, maar sluit dit in de toekomst niet uit.

De raad wilde de ondertoezichtstelling voortzetten om samenwerking tussen ouders te onderzoeken, maar de gecertificeerde instelling kon geen passende hulpverlening bieden. Het hof vond dat ondertoezichtstelling daarvoor onvoldoende toegevoegde waarde heeft en besloot de ondertoezichtstelling per direct te beëindigen, waarbij het verzoek van de raad werd afgewezen voor de periode vanaf het vonnis.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt per direct beëindigd omdat de ontwikkelingsbedreiging is weggenomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.511/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586218)
beschikking van 5 juni 2025
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Metin te Arnhem,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad,
verweerder in hoger beroep.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd in Amsterdam.
Als informanten zijn aangemerkt:
[de vader](de vader/ [de vader] ),
die woont in [woonplaats2] ,
[de partner van de moeder](de partner van de moeder/ [de partner van de moeder] ),
die woont in [woonplaats1] .

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 21 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 15 april 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 23 april 2025 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 29 april 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 1 mei 2025, waarin de raad mededeelt ter zitting verweer te zullen voeren;
- een journaalbericht namens de moeder van 7 mei 2025 met bijlage(n).
2.2
De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] heeft zijn mening over de zaak aan één van de raadsheren van het hof kenbaar gemaakt in een kindgesprek op 6 mei 2025. Van de inhoud van dat gesprek is ter zitting een samenvatting gegeven.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de vader;
- de partner van de moeder.

3.De feiten

3.1
Uit de moeder is [in] 2013 geboren [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] woont bij de moeder en haar partner.
3.2
De vader heeft op 31 januari 2023 een verzoek bij de rechtbank ingediend, strekkende tot het realiseren van statusvoorlichting aan [de minderjarige] , medewerking van de moeder aan specialistische hulpverlening in de vorm van ouderschapsbemiddeling en tot het vaststellen van een voorzichtig opbouwende contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] . De moeder heeft daartegen verweer gevoerd. Op 18 december 2024 heeft in deze zaak een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank. De raad heeft op die zitting verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen. De kinderrechter heeft een beslissing op dat verzoek aangehouden en de raad verzocht om het verzoek voorzien van een uitgebreide onderbouwing in te dienen bij de rechtbank.
3.3
De raad heeft op 23 december 2024 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend en daarin verzocht om een ondertoezichtstelling uit te spreken over [de minderjarige] voor de duur van een jaar en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te belasten met de uitvoering daarvan.
3.4
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 januari 2025 tot 21 januari 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen, althans de ondertoezichtstelling per direct te beëindigen.
4.2
De raad heeft ter zitting verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet meer aanwezig zijn en zal de ondertoezichtstelling beëindigen. De ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] was er vooral in gelegen dat hem geen statusvoorlichting over zijn afstamming werd gegeven. Vast staat dat deze statusvoorlichting inmiddels wel heeft plaatsgevonden. De moeder heeft [de minderjarige] eind januari 2025 verteld dat niet [de partner van de moeder] maar [de vader] zijn vader is. Daarmee is het belangrijkste doel van de ondertoezichtstelling behaald. Gebleken is dat [de minderjarige] , mede door de juiste begeleiding vanuit school en vanuit zijn netwerk, goed op de statusvoorlichting heeft gereageerd. Hij heeft ook met zijn klasgenoten en zijn voetbalteam gedeeld dat hij een andere biologische vader heeft dan hij altijd heeft gedacht en heeft van hen veel steun ervaren. In het kindgesprek heeft het hof ook de indruk gekregen dat het goed gaat met [de minderjarige] . Er is daarom naar het oordeel van het hof op dit moment bij [de minderjarige] geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] geeft zelf aan dat hij op dit moment geen omgang wil met de vader, maar hij sluit niet uit dat dit in de toekomst anders kan zijn. De raad vindt dat de resterende periode van de ondertoezichtstelling moet worden gebruikt om te onderzoeken hoe de ouders een vorm van samenwerking kunnen vinden voor het moment dat [de minderjarige] behoefte zou hebben aan omgang met de vader. De GI heeft desgevraagd echter verklaard niet te weten welke hulpverlening daarvoor op dit moment kan worden ingezet en hiertoe ook niet in staat te zijn. De raad heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat in dat geval een ondertoezichtstelling wellicht toch onvoldoende toegevoegde waarde heeft. Het hof is het daarmee eens. De moeder heeft ter zitting verklaard dat als [de minderjarige] in de toekomst omgang wil met de vader, zij hem daarin zal steunen. Het hof heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
5.3
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen over de periode tot heden en de bestreden beschikking vernietigen met ingang van heden, onder afwijzing van het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] in zoverre. Dat leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 21 januari 2025, voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode tot heden;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 21 januari 2025 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode vanaf heden, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af voor zover dit betrekking heeft op de periode vanaf heden;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, L. van Dijk en M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 5 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.