ECLI:NL:GHARL:2025:3526

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.675/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging sanctie en afwijzing proceskostenvergoeding in administratief beroep verkeersboete

De betrokkene kreeg een sanctie van €250,- opgelegd voor het gebruik van een verdrijvingsvlak op 1 augustus 2022. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €140,63 vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn. De betrokkene stelde hoger beroep in en vroeg om een proceskostenvergoeding.

De gemachtigde van de betrokkene betwistte de gedraging, maar dit leidde niet tot twijfel aan de vastgestelde feiten. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding die de kantonrechter had toegekend. Het hof oordeelde dat de kantonrechter onterecht een proceskostenvergoeding toekende voor het administratief beroep, omdat de betrokkene niet werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde.

Daarom werd het bezwaar tegen de hoogte van die vergoeding ongegrond verklaard. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Hiermee blijft de matiging van de sanctie van kracht en wordt geen vergoeding toegekend voor het administratief beroep.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.675/01
CJIB-nummer
: 251366991
Uitspraak d.d.
: 10 juni 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 14 februari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,63. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 765,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 augustus 2022 om 16.25 uur op de Provincialeweg in Hoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 140,63, omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Deze enkele ontkenning leidt niet tot twijfel aan de gegevens in het dossier op basis waarvan de gedraging kan worden vastgesteld.
3. Verder voert de gemachtigde aan dat de hoogte van de door de kantonrechter berekende proceskostenvergoeding niet klopt. In administratief beroep bedraagt de waarde per punt € 647,-. Als dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de wegingsfactor (0,5) bedraagt de vergoeding € 323,50 en niet € 312,-. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie heeft gematigd. Hij heeft de betrokkene daarmee (deels) in het gelijk gesteld. De kantonrechter heeft een proceskostenvergoeding toegekend waarbij voor het administratief beroep de vergoeding is bepaald op € 312,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5 en waarde per punt € 647,-) en voor de fase bij de kantonrechter op € 453,50 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5 en waarde per punt € 907,-).
5. In dit geval bestaat echter geen rechtens te respecteren belang bij vergoeding van de proceskosten in administratief beroep. Daartoe overweegt het hof dat de betrokkene in administratief beroep niet is bijgestaan door een professioneel gemachtigde, zodat geen sprake is van proceshandelingen van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener die voor vergoeding in aanmerking komen. Dit brengt mee dat de kantonrechter om die reden al geen proceskostenvergoeding voor deze fase had behoren toe te kennen.
6. Nu de kantonrechter ten onrechte een proceskostenvergoeding voor het administratief beroep heeft toegekend, treft het bezwaar van de gemachtigde tegen de hoogte van die vergoeding geen doel.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.