ECLI:NL:GHARL:2025:3602

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
Wahv 200.349.957/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 lid 1 RVV 1990Art. 62 RVV 1990Art. 1 RVV 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor gebruik verdrijvingsvlak ondanks betwisting definitie

De betrokkene kreeg een boete van €250 opgelegd wegens het gebruik van een verdrijvingsvlak op de Pelsterstraat in Groningen op 30 november 2022. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. De betrokkene stelde in hoger beroep dat het weggedeelte geen verdrijvingsvlak was, maar verwees naar een arrest waarin ook naar de functionele betekenis van wegmarkeringen werd gekeken.

Het hof overwoog dat een verdrijvingsvlak volgens artikel 1 van Pro het RVV 1990 wordt gedefinieerd als een gedeelte van de rijbaan met schuine strepen. Het voertuig stond op zo'n gedeelte, waardoor het gebruik ervan verboden is volgens artikel 77, eerste lid, in samenhang met artikel 62 RVV Pro 1990. Het hof maakte onderscheid met puntstukken, die een andere definitie en functie hebben.

Omdat het doel van het verdrijvingsvlak niet relevant is voor het vaststellen van de overtreding, bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. De Witt en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: De boete van €250 voor het gebruik van een verdrijvingsvlak wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.957/01
CJIB-nummer
: 254403318
Uitspraak d.d.
: 12 juni 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 5 november 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 november 2022 om 16.42 uur op de Pelsterstraat in Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat geen sprake is van een verdrijvingsvlak. Een verdrijvingsvlak is bedoeld om bestuurders naar een andere rijstrook te begeleiden, wat hier niet het geval is. De gemachtigde verwijst naar een arrest van het hof (ECLI:NL:GHARL:2023:1951), waarin is geoordeeld dat niet alleen naar de uiterlijke kenmerken van een puntstuk moet worden gekeken, maar ook naar de definitie en het doel ervan. De kantonrechter heeft onvoldoende naar de functionele en juridische betekenis van het gemarkeerde gedeelte van de weg gekeken. Bovendien is geen sprake van een parkeerverbodszone ter plaatse, waardoor parkeren op deze locatie geoorloofd is.
3. De aan de betrokkene verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 77, eerste lid, in samenhang met artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In artikel 77, eerste lid, van het RVV 1990 is bepaald dat bestuurders verdrijvingsvlakken en puntstukken niet mogen gebruiken. In artikel 1 van Pro het RVV 1990 is als definitie van verdrijvingsvlak opgenomen: "gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht".
4. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene stilstond op een gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht, zodat dit weggedeelte op grond van de hiervoor weergegeven definitie als verdrijvingsvlak moet worden aangemerkt. In het door de gemachtigde aangehaalde arrest (ECLI:NL:GHARL:2023:1951) ging het echter om een puntstuk. De definitie van een puntstuk luidt in artikel 1 van Pro het RVV 1990: "meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen". Anders dan bij een puntstuk, heeft de wetgever in de definitiebepaling niet aangegeven in welke situaties een verdrijvingsvlak kan worden toegepast. Dit betekent dat voor de vaststelling van de gedraging "als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken" niet van belang is met welk doel de wegbeheerder een verdrijvingsvlak heeft aangebracht. Nu vaststaat dat het voertuig van de betrokkene stilstond op een verdrijvingsvlak, heeft de kantonrechter terecht vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.