In deze zaak is het geschil tussen de ouders gericht op de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor hun twee minderjarige kinderen. De rechtbank had het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en alsnog een zorgregeling vast te stellen.
Het hof overweegt dat sinds de bestreden beschikking de situatie nauwelijks is veranderd. De vader is veroordeeld voor huiselijk geweld jegens de moeder, maar het hoger beroep in die strafzaak is nog niet inhoudelijk behandeld. De vader heeft nog geen passende hulpverlening ingezet, hoewel hij bereid is deze te accepteren. De kinderen vertonen ernstige gedragsproblemen en onveiligheidssignalen, vooral de vijfjarige, die intensieve begeleiding nodig heeft.
De raad voor de kinderbescherming en het hof zijn van oordeel dat de kinderen rust en een stabiele, veilige basis bij de moeder nodig hebben. De moeder maakt vorderingen in de opvoeding en behandeling. Het hof weegt dit zwaarder dan het opbouwen van contact met de vader. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd. De vader kan bij gewijzigde omstandigheden opnieuw een verzoek indienen, maar niet reeds in augustus 2025.