Partijen zijn in 2009 in Iran gehuwd en hebben een huwelijksakte gesloten met afspraken over een bruidsgave van 200 gouden munten. De echtscheiding is in Nederland uitgesproken en ingeschreven in 2019. De Iraanse familierechtbank heeft verzoeken van partijen met betrekking tot gehoorzaamheid en echtscheiding afgewezen.
In eerste aanleg is de ontbinding van het Iraanse religieuze huwelijk toegewezen, maar de vordering tot betaling van de bruidsgave afgewezen. Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan: appellant wil de ontbinding niet erkennen, geïntimeerde wil de bruidsgave alsnog toegewezen krijgen.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen te oordelen en dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof constateert dat appellant de religieuze echtscheiding moet medewerken tenzij zwaarwegende belangen zich verzetten. Appellant vreest voor zijn veiligheid bij bezoek aan de Iraanse ambassade, maar het hof stelt vast dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit en geen vluchtelingenstatus meer heeft, zodat er geen belemmering is.
Geïntimeerde is bereid afstand te doen van de bruidsgave als appellant meewerkt aan de religieuze echtscheiding. Het hof geeft partijen vier maanden de tijd om in onderling overleg de registratie van de religieuze echtscheiding te regelen en afspraken over de bruidsgave vast te leggen. De zaak wordt daarna op de stukken afgedaan, tenzij een zitting wordt gelast.