Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland inzake de WOZ-waarde van zijn woning en de afwijzing van zijn verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld en het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
In hoger beroep stelde het Hof vast dat het griffierecht tijdig was betaald, ondanks een aanvankelijk gemiste betalingstermijn. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase met meer dan zes maanden had overschreden, wat recht gaf op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. De overschrijding was volledig aan de Rechtbank toe te rekenen.
Verder werd het griffierecht vergoed en een proceskostenvergoeding van € 544,20 toegekend. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van de schadevergoeding, griffierecht en proceskosten. De redelijke termijn in hoger beroep was niet overschreden, zodat daar geen vergoeding werd toegekend.