Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:3742

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
21-002270-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in leerplichtzaak

In deze zaak is het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter die verdachte veroordeelde tot een voorwaardelijke geldboete wegens het niet nakomen van de leerplichtverplichting. Het Openbaar Ministerie heeft op basis van een gewijzigd beleid met betrekking tot vervolging in leerplichtzaken gevorderd niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof heeft het verzoek van het Openbaar Ministerie overgenomen en het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Verdachte en haar raadsman waren niet aanwezig bij de terechtzitting. Het hof zag geen aanleiding om af te wijken van het gewijzigde beleid en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

De beslissing betekent dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld en dat de vervolging wordt beëindigd. Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 mei 2025.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens beleidswijziging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002270-24
Uitspraak d.d.: 27 mei 2025
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 mei 2024 met parketnummer 08-310482-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 mei 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van
€ 500,00 subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van twee jaren wegens het als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2 van Pro die wet opgelegde verplichting niet nakomen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft per e-mail van 6 mei 2025 aan de raadsman en het hof laten weten dat hij zal verzoeken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Dit vanwege het gewijzigde beleid van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de vervolging in leerplichtzaken zoals gepubliceerd op 7 april 2025.
Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal inderdaad dienovereenkomstig gevorderd.
Het hof heeft op 8 mei 2025 per mail aan de raadsman laten weten dat het niet noodzakelijk is dat hij en/of verdachte verschijnen op de zitting van 27 mei 2025. Verdachte en haar raadsman zijn niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof ziet geen reden om in deze zaak tot een andersluidend oordeel te komen dan de advocaat-generaal.
Het hof zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. M.L. van der Bel en mr. I.P.H.M. Severeijns, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.M.G. van der Lee, griffier,
en op 27 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.