ECLI:NL:GHARL:2025:3813

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
24 juni 2025
Zaaknummer
Wahv 200.348.043/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens schending hoorplicht bij verkeersboete

De betrokkene stelde beroep in tegen een verkeersboete opgelegd door de officier van justitie wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 11 maart 2023. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Het gerechtshof oordeelt dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door al vóór het verstrijken van de termijn voor het verzoek om een hoorzitting te beslissen, terwijl de betrokkene niet om een hoorzitting had gevraagd. Dit is in strijd met artikel 7:17 Awb Pro, dat bepaalt dat van het horen kan worden afgezien indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn niet verzoekt om gehoord te worden.

Hoewel de betrokkene de gedraging ontkent, leidt een enkele betwisting niet tot twijfel aan de dossiergegevens. Het hof bevestigt de overtreding en vernietigt de eerdere beslissingen. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt echter ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De sanctie van €280,- blijft daarmee gehandhaafd.

Uitkomst: De eerdere beslissingen worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.043/01
CJIB-nummer
: 256363590
Uitspraak d.d.
: 24 juni 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 5 juli 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. De betrokkene heeft zelf beroep ingesteld op 30 maart 2023. Op 14 april 2023 heeft de officier van justitie beslist. De beroepstermijn liep tot 2 mei 2023 en de betrokkene had dus ook tot die datum de tijd om te vragen om gehoord te worden. De officier van justitie heeft hangende de beroepstermijn beslist en daarmee de hoorplicht geschonden.
2. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene een inleidende beschikking is gestuurd met dagtekening 21 maart 2023. De uiterste beroepsdatum was in dit geval 2 mei 2023. De betrokkene heeft op 30 maart 2023 administratief beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift heeft hij niet verzocht om te worden gehoord. Door de officier van justitie is beslist bij beslissing met dagtekening 13 april 2023.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat op inleidende beschikkingen die zijn gedagtekend vanaf 29 december 2022 het volgende is vermeld: “Wilt u in een gesprek uitleggen waarom u het niet eens bent met de boete? Geef dan uiterlijk [datum] aan dat u gehoord wil worden. Vermeld uw telefoonnummer in uw beroepschrift. Parket CVOM neemt contact met u op.” Het is het hof ook ambtshalve bekend dat waar [datum] staat, de uiterste beroepsdatum komt te staan.
4. In artikel 7:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald wanneer van het horen mag worden afgezien. Onder sub d is opgenomen:
“Indien (…) de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.”
5.
Gelet op het vermelde onder 3. gaat het hof ervan uit dat in dit geval op de inleidende beschikking vermeld stond dat de betrokkene uiterlijk op 2 mei 2023 kon aangeven dat hij gehoord wilde worden. Het hof merkt dit aan als de termijn bedoeld in artikel 7:17 sub d van Pro de Awb. Hoewel de betrokkene in zijn administratief beroepschrift van 30 maart 2023 niet heeft verzocht om te worden gehoord, kon de officier van justitie niet al voor het verstrijken van voornoemde termijn beslissen op het beroep zonder de betrokkene te horen. Immers, hij kan pas afzien van het horen als binnen die termijn niet is verzocht om het horen.
6. Het voorgaande brengt mee dat de hoorplicht is geschonden. Het hof zal dan ook de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 maart 2023 om 21.20 uur op de Quirijnstoklaan in Tilburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een enkele betwisting niet leidt tot twijfel aan de gegevens in het dossier. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
9. Verder voert de gemachtigde aan dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent, aangezien de officier van justitie de hoorplicht ten aanzien van burgers structureel schendt (ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
10. Deze grond treft geen doel. Hoewel de officier van justitie in deze zaak de hoorplicht heeft geschonden, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een structurele schending die moet leiden tot matiging van het bedrag van de sanctie. In de zaak waar de gemachtigde naar verwijst was het proces zo ingericht dat de betrokkene die niet werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde in het geheel niet werd gehoord. Daarvan is hier geen sprake, nu de officier van justitie in dit geval onder voor deze zaak specifieke omstandigheden geen goede uitvoering heeft gegeven aan het recht om te worden gehoord.
11. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.