ECLI:NL:GHARL:2025:3821

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
24 juni 2025
Zaaknummer
200.349.837
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 24 juni 2025 de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd waarbij twee minderjarige kinderen onder toezicht zijn gesteld van een gecertificeerde instelling. De ondertoezichtstelling loopt van 16 oktober 2024 tot 16 oktober 2025.

De vader heeft in het verleden fors geweld tegen de moeder gebruikt en woont sinds maart 2025 weer permanent bij het gezin. Dit vormt een nieuwe en onzekere situatie voor het gezin. De moeder stelde dat met hulpverlening een stabiele basis kan worden gevormd en dat er geen ernstige bedreiging is, maar zij heeft onvoldoende informatie over hulpverlening en de ontwikkeling van de kinderen aangeleverd.

Het hof constateert dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De situatie is complex door het verleden van huiselijk geweld en het ontbreken van duidelijke informatie over de hulpverlening aan de ouders. Het hof acht het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling toezicht houdt en beveelt op korte termijn een jeugdbeschermer aan het gezin te koppelen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.837
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 581493)
beschikking van 24 juni 2025
in het hoger beroep van:
[verzoekster] (de moeder)
woonplaats: [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Dijkstra
Belanghebbenden zijn:
(1)
raad voor de kinderbescherming (de raad)
(in Utrecht)
(2) de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI)
(in Amsterdam)
Informant is:
[de vader] (de vader)
woonplaats: bekend bij het hof

1.Onderwerp

Het gaat in deze zaak om de beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 16 oktober 2024 om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen van de GI met ingang van 16 oktober 2024 tot 16 oktober 2025.

2.De rechtszaak bij het hof

2.1
Op 6 maart 2025 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven.
2.2
Na de tussenbeschikking heeft het hof de volgende stukken ontvangen:
  • een journaalbericht van mr. Dijkstra van 19 maart 2025 met een brief met producties;
  • een e-mail van 9 april 2025 van mr. Dijkstra met een productie en
  • een brief van de raad voor de kinderbescherming van 29 april 2025.

3.De redenen voor de beslissing

3.1
Het hof zal de beslissing van de kinderrechter om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen in stand houden (bekrachtigen). Hierna zal het hof uitleggen waarom.
3.2
Zoals in de tussenbeschikking is opgenomen, heeft de vader in het verleden (fors) geweld gebruikt tegen de moeder. Na zijn verblijf in een tbs-kliniek woont de vader sinds maart 2025 voor het eerst zeven dagen per week bij de moeder, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dat is voor hen als gezin een nieuwe (onbekende) situatie. De moeder heeft in haar beroepschrift en op de mondelinge behandeling gesteld dat zij vertrouwen heeft dat – met de hulp die de moeder en de vader hebben – zij samen een stabiele basis voor de kinderen kunnen vormen en dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
3.3
Omdat op het tijdstip van de mondelinge behandeling in hoger beroep door de moeder geen informatie was overgelegd van de gestelde hulp en ook recente informatie over de kinderen ontbrak, heeft het hof in de tussenbeschikking de beslissing aangehouden en de moeder in de gelegenheid gesteld om informatie te overleggen over:
  • de hulp die de moeder en de vader los van elkaar en samen hebben en de stand van zaken van die hulpverlening;
  • de ontwikkeling van de kinderen (voor [de minderjarige1] een verslag van de kinderopvang en/of de VVE-klas en voor [de minderjarige2] informatie van het consultatiebureau) en
  • de visie van de reclassering over het verblijf van de vader in het gezin met de moeder en de kinderen.
3.4
De moeder heeft – ondanks dat zij daartoe door het hof in de gelegenheid is gesteld – geen informatie aan het hof verstrekt over de hulp die de moeder en de vader individueel en gezamenlijk hebben. De moeder heeft met betrekking tot zichzelf alleen de bevestiging van een intakegesprek in december 2024 en een uitnodiging voor een gesprek in januari 2025 met haar (online) psycholoog overgelegd. Inhoudelijke informatie ontbreekt echter, waardoor het voor het hof niet duidelijk is óf de moeder op dit moment psychologische hulp heeft en zo ja, hoe vaak, wat het doel van die hulp is en hoe het nu met de moeder gaat. Over hulpverlening voor de vader en hulpverlening voor de ouders samen heeft de moeder helemaal geen informatie verstrekt, zodat het hof niet weet of die hulp er is en wat daarvan de stand van zaken is.
3.5
Uit de e-mail van de reclassering die de moeder heeft overgelegd, blijkt dat de reclassering na een zorgvuldige afweging akkoord is gegaan met de terugkeer van de vader naar het gezin (in plaats van naar een begeleid/ beschermd woonvoorziening), omdat de risico’s naar het oordeel van de reclassering te beheersen zijn. In navolging van de opmerking van de raad hierover is het hof van oordeel dat uit deze informatie niet blijkt welke de risico’s zijn, die volgens de reclassering te beheersen zijn: het risico op recidive van ernstig huiselijk geweld of het risico om de gezamenlijke opvoeding goed genoeg en veilig vorm te geven?
3.6
De moeder heeft een observatieverslag van het kinderdagverblijf van [de minderjarige1] overgelegd. Hierover heeft de raad geschreven dat uit de informatie die de moeder over [de minderjarige1] heeft overgelegd niet kan worden afgeleid dat het beeld inmiddels verschilt van de situatie tijdens het raadsonderzoek, behalve dat het afscheid nemen van de moeder wat beter gaat, omdat de moeder haar later naar het kinderdagverblijf brengt en dat [de minderjarige1] zich wat fijner en veiliger voelt op de groep. Het hof volgt de raad hierin en voegt hieraan toe dat – zonder verdere uitleg of toelichting van dit (schematische) observatieverslag – het hof hieruit niet (goed) kan afleiden hoe het op dit moment met [de minderjarige1] gaat. De moeder heeft ook geen informatie van de VVE-klas toegevoegd.
Van [de minderjarige2] heeft de moeder grafieken van het consultatiebureau overgelegd zonder nadere uitleg. Uit de groei- en gewichtscurves lijkt naar voren te komen dat [de minderjarige2] achter blijft qua lengte en gewicht ten opzichte van het gemiddelde van haar leeftijdsgenootjes. Zonder enige toelichting hierop van de moeder en het consultatiebureau is dit voor het hof een reden tot zorg.
3.7
Het hof is van oordeel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] groeien op in een gezinssituatie waar de draaglast hoger dan gemiddeld is. Het hof kan niet om het verleden van de ouders heen, waarin de vader (fors) geweld tegen de moeder heeft gebruikt. Het is voor het hof onduidelijk gebleven hoe de moeder alleen en hoe de ouders samen in de nieuwe situatie waarin zij met de kinderen samenwonen zullen omgaan met onderlinge spanningen, óf de moeder, de vader en de ouders samen hulp hierbij krijgen en of die hulp al resultaat heeft. Daarbij weegt het hof mee dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog heel jong zijn en volledig afhankelijk van de vader en de moeder. Het hof is van oordeel dat in deze situatie de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gevolgd moet worden door de GI.
Het hof is – net als kinderrechter – van oordeel dat toezicht in het gedwongen kader noodzakelijk is. Uit het raadsrapport blijkt dat de moeder niet uit zichzelf hulp zoekt. Het is het hof niet gebleken dat daarin inmiddels verandering is gekomen. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt niet dat de moeder, de vader en de ouders samen inmiddels hulp hebben.
Dat er nog steeds geen gezinsbeschermer beschikbaar is voor de moeder en de kinderen maakt het oordeel van het hof niet anders. Wel acht het hof het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat op zeer korte termijn een jeugdbeschermer aan het gezin wordt gekoppeld.
3.8
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van de proceskosten), omdat het om een ondertoezichtstelling gaat.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 16 oktober 2024;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en A.T. Bol in samenwerking met de griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025.