De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengd tot 27 januari 2026. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om een kortere verlenging van zes maanden en een opdracht aan de jeugdbescherming om binnen zes maanden een plan voor contactherstel tussen de vader en de minderjarige op te stellen.
Het hof bevestigt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, aangezien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over en benadrukt dat ondanks positieve ontwikkelingen bij de minderjarige, er nog steeds ernstige en complexe zorgen zijn. Deze betreffen onder meer interactioneel trauma en angstig gedrag ten aanzien van de vader, waarvoor intensieve behandeling noodzakelijk is.
De moeder weigert echter toestemming te geven voor inzage in haar eigen traumabehandeling, wat essentieel is voor de hulpverlening aan de minderjarige. Het hof vindt een verlenging van zes maanden onvoldoende gezien de complexiteit en duur van de benodigde hulpverlening en wijst het verzoek tot een plan van aanpak voor contactherstel af. De ondertoezichtstelling wordt daarom voor de volledige gevraagde periode van een jaar bekrachtigd.