AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken zekerheid bij Wahv-procedure
De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van zekerheid voor betaling van sancties en administratiekosten conform artikel 11 vanPro de Wahv. Betrokkene voerde aan dat de wetgeving niet rechtsgeldig zou zijn omdat deze was ondertekend door een koning zonder bewijs van 'de gratie Gods'.
Het hof oordeelde dat deze betwisting geen aanleiding gaf om aan de rechtsgeldigheid van de wetgeving te twijfelen en dat de betrokkene op juiste wijze was geïnformeerd over de verplichting tot zekerheidstelling. Het niet stellen van zekerheid was niet verschoonbaar, ook niet vanwege de vermeende ongeldigheid van de wet.
Verder stelde het hof vast dat de kantonrechter terecht geen zitting hield omdat de betrokkene geen zekerheid stelde, zoals toegestaan in de Wahv en bevestigd door jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, met verbetering van gronden. Tevens werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit had geen gevolgen voor de uitkomst.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.158/01
CJIB-nummer
: 246337068
Uitspraak d.d.
: 4 juli 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 13 februari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 juni 2025. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld en geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.
2. De betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonechter is gebaseerd op wetgeving die is ondertekend door de koning (of één van zijn voorgangers) onder vermelding van ‘de gratie Gods’. De betrokkene heeft diverse malen het bewijs opgevraagd van het bestaan van ‘de gratie Gods’, maar nog nooit ontvangen. Nu die gratie ontbreekt heeft de koning niet de autoriteit om wetten uit te vaardigen. De wetgeving waarop de kantonrechter zich heeft gebaseerd is dus niet rechtsgeldig. Verder klaagt de betrokkene erover dat de kantonrechter hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zaak tijdens een zitting mondeling toe te lichten.
3. Het hof ziet in het betoog van de betrokkene geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de in deze zaak van toepassing zijnde wetgeving. Dit betekent dat deze wetgeving ook voor hem geldt.
4. Artikel 11 vanPro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De betrokkene is op juiste wijze geïnformeerd over deze verplichting. Er is geen zekerheid gesteld. De omstandigheid dat de betrokkene kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij geen zekerheid hoefde te stellen, omdat de Wahv niet rechtsgeldig zou zijn, maakt niet dat het niet stellen van zekerheid verschoonbaar is.
5. Uit het systeem van de Wahv, zoals dat besloten ligt in de artikelen 11 tot en met 13, volgt dat als niet of niet tijdig zekerheid is gesteld de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder de betrokkene te horen (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 1992, gepubliceerd in het blad Verkeersrecht, VR1992, 68). Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, mocht de kantonrechter ervan afzien de betrokkene uit te nodigen voor een zitting.
6. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
7. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Nu het hof - net als de kantonrechter - niet toekomt aan de beoordeling van de sanctie (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369), zal het hof - doende wat de kantonrechter had moeten doen - volstaan met de vaststelling daarvan. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd met verbetering van gronden.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.