In deze civiele zaak in hoger beroep staat de terugverhuizing van de moeder met de minderjarige naar de regio centraal, alsmede de zorgregeling voor de zomervakantie. De rechtbank had de moeder bevolen binnen drie maanden terug te verhuizen, onder dreiging van een dwangsom, en een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader zorg draagt in oneven weken en delen van vakanties.
De moeder verzocht het hof om schorsing van de terugverhuizing en een voorlopige voorziening voor de zorgregeling in de zomervakantie, waarbij de minderjarige anderhalve week aaneengesloten bij de vader zou verblijven. De vader verzocht afwijzing van de schorsing en stelde een zorgregeling van twee weken aaneengesloten voor.
Het hof oordeelde dat de beslissing van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad was en dat geen sprake was van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigen. De financiële gevolgen en verhuisplannen van de moeder konden geen grond zijn voor schorsing. Voor de zorgregeling stelde het hof vast dat de minderjarige gedurende twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft in de zomervakantie, conform het compromisvoorstel van de vader en met inachtneming van videobelcontacten.
Het hof hechtte het ouderschapsplan niet aan de beschikking, zag geen aanleiding voor een raadsonderzoek en verwees de ouders voor een SCHIP traject naar de gemeente. De beschikking van de rechtbank werd niet geschorst, de voorlopige voorziening voor de zorgregeling werd vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.