Belanghebbende, een beheer B.V., maakte bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2017 en een verzuimboete voor 2018. De Inspecteur had de aanslag Vpb 2017 verminderd na bezwaar, maar de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd op nihil. De verzuimboete was verminderd van € 2.757 naar € 500. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betrof vooral de afwaardering van de rekening-courantvordering op de directie. Belanghebbende stelde dat deze volledig ten laste van het resultaat had moeten worden afgewaardeerd tot nihil, terwijl de Inspecteur dit betwistte. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aan haar bewijslast had voldaan om de afwaardering te rechtvaardigen, mede omdat de voormalige accountant onvoldoende specificaties had verstrekt en belanghebbende geen ander bewijs had.
Daarnaast was de verzuimboete voor het niet tijdig doen van aangifte Vpb 2018 aan de orde. Belanghebbende stelde afwezigheid van alle schuld (avas), maar het hof vond dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was om de aangifte te doen. Het hof bevestigde de boete van € 500.
Belanghebbende vorderde ook vergoeding van immateriële schade wegens vermeende bedreiging en ambtsmisbruik door de Inspecteur, maar het hof oordeelde dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen. Wel werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.