ECLI:NL:GHARL:2025:4420

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
200.349.498/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag ouders ondanks loyaliteitsconflict minderjarige

Het geschil betreft het gezamenlijk gezag over een minderjarige geboren in 2016, wonende bij de moeder. De rechtbank had het gezamenlijk gezag aan beide ouders toegekend, waarbij de vader het kind om de twee weken in het weekend mag zien. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht het verzoek van de vader af te wijzen.

Tijdens de procedure is vastgesteld dat de minderjarige onder toezicht is gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege probleemgedrag en een loyaliteitsconflict. De ouders werken samen met de GI en de raad voor de kinderbescherming om de communicatie te verbeteren. Een psychodiagnostisch onderzoek is gepland om de situatie van het kind beter te begrijpen.

Het hof overweegt dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, omdat de vader hierdoor een meer betekenisvolle rol kan vervullen en beter betrokken kan worden bij de hulpverlening. Het verzoek van de moeder om een getuige te horen is afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het gezamenlijk gezag van beide ouders over de minderjarige en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.498
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577627)
beschikking van 17 juli 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L. Sinoo,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Ahmadi.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 januari 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Ahmadi van 13 april 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. Sinoo van 2 juni 2025 met productie;
- een journaalbericht van mr. Ahmadi van 2 juni 2025;
- een journaalbericht van mr. Sinoo van 5 juni 2025 met producties.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 17 juni 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI) als informant;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] (hierna: [de minderjarige] ). [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 28 mei 2024 – bekrachtigd door dit hof op 13 maart 2025 – heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] een keer per twee weken van vrijdag tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft en een verdeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld.
3.3
Bij beschikking van 10 januari 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de vader met de moeder belast met het gezag over [de minderjarige] .
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader alsnog af te wijzen dan wel hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.3
De vader voert verweer en hij vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
5.1
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Het hof is met de rechtbank, op dezelfde gronden die het hof overneemt en na eigen weging tot de zijne maakt, van oordeel dat er geen reden is om van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. Ter aanvulling overweegt het hof dat [de minderjarige] na de bestreden beschikking weer onder toezicht van de GI is gesteld en dat de ouders in samenwerking met de jeugdbeschermer afspraken hebben gemaakt over de onderlinge communicatie met als doel deze te verbeteren. Volgens de GI hebben de ouders sinds de ondertoezichtstelling hierin alweer positieve stappen gezet. Dit vindt het hof ook positief.
Voorts is duidelijk dat het al geruime tijd niet goed gaat met [de minderjarige] ; zij zit nog steeds in een loyaliteitsconflict en zij laat probleemgedrag zien. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat een psychodiagnostisch onderzoek zal worden afgenomen bij [de minderjarige] vanwege de zorgen over haar gedrag. Met de raad ziet het hof in het problematische gedrag van [de minderjarige] , in tegenstelling tot de moeder, geen reden om de vader niet met het gezamenlijk gezag te belasten. Daarbij is het hof met de raad van oordeel dat de vader door het gezamenlijk gezag een meer betekenisvolle rol kan spelen in het leven van [de minderjarige] en ook beter op de hoogte kan zijn van haar situatie, zoals de vader wenst. Dit is ook in het belang van [de minderjarige] en is niet gelukt toen de vader nog niet met het gezag was belast. Verder kan de GI de vader, nu hij met het gezag is belast, betrekken bij de hulp rondom [de minderjarige] – wat heeft zij nodig en wat kunnen beide ouders daarin betekenen – en hem aanspreken op zijn verantwoordelijkheden door hem eventueel een schriftelijke aanwijzing te geven.
Verzoek horen getuige
5.3
De moeder heeft het hof verzocht om [naam1] ter zitting te horen als getuige.
De vader heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Het hof heeft het verzoek van de moeder wegens gebrek aan onderbouwing afgewezen. De moeder had in haar verzoek nauwkeurig dienen te vermelden omtrent welke feiten en stellingen, die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, zij de getuige wil laten verklaren. Het hof merkt nog op dat de vervolgens voor de zitting overgelegde schriftelijke verklaring van genoemde getuige buitengewoon gekleurd is en (dus) niet tot een ander oordeel voert.

6.De slotsom

6.1
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu de ouders een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 oktober 2024;
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 17 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.