ECLI:NL:GHARL:2025:446

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.344.893/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs autogordelplicht tijdens rijden

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor het niet dragen van een autogordel tijdens het rijden op 2 september 2022 in Vlaardingen. Hij stelde dat hij de gordel pas afdeed toen het voertuig stilstond, nog voordat de ambtenaar bij hem was. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelde anders.

Het hof concludeerde op basis van het dossier en een proces-verbaal dat niet kon worden vastgesteld dat de betrokkene tijdens het rijden zonder gordel reed. De ambtenaar had niet kunnen waarnemen dat de gordel niet gedragen werd tijdens het rijden, maar zag dit pas toen het voertuig stilstond. Hierdoor ontbrak voldoende bewijs voor de overtreding.

Het hof vernietigde de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.230,50. Tevens werd bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens het niet dragen van de autogordel tijdens het rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.893/01
CJIB-nummer
: 252144087
Uitspraak d.d.
: 29 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor:
“als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. De gedraging zou zijn verricht op 2 september 2022 om 23.27 uur op de Arnoldus Soekstraat in Vlaardingen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gedraging kan worden vastgesteld. De betrokkene betwist dat er sprake was van rijden. Pas toen de betrokkene met zijn voertuig stilstond heeft hij zijn autogordel afgedaan, nog voordat de ambtenaar zich bij het voertuig bevond. Uit zowel het zaakoverzicht als de aanvullende verklaring van de ambtenaar blijkt niet dat de ambtenaar de betrokkene heeft zien rijden zonder gebruik te maken van zijn gordel. De ambtenaar heeft de betrokkene staande gehouden, omdat hij zag dat de betrokkene tijdens het rijden zijn telefoon vasthad. Bij de staandehouding zag de ambtenaar pas dat de betrokkene geen gordel om had toen het voertuig stilstond.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing, de gesp was hierbij zichtbaar. (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: geen verklaring”.
4. In het dossier is voorts een proces-verbaal Wet Mulder d.d. 22 november 2022 aanwezig. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Op dat moment zag ik dat er (…) een voertuig aan kwam rijden, ik zag dat (…) dit voertuig meerdere omwentelingen middels zijn wielen maakte, hierop maakte ik op dat dit voertuig daadwerkelijk rijdend was. Ik stond 4 meter van het betrokken voertuig af en had vrij zicht. (…)
Ik zag dat de bestuurder middels twee handen zijn mobiele telefoon in de hand vasthield en een foto maakte van de situatie (…). Ik zag dat zijn wiel nog een omwenteling maakte op het moment van het nemen van de foto. De bestuurder had dus tijdens het rijden de mobiele telefoon in de hand.
Hierop hield ik de bestuurder staande en vorderde van hem een op zijn naam staand geldig rijbewijs ter inzage. Op het moment dat ik de bestuurder staande hield, constateerde ik dat de bestuurder, tijdens het rijden, zijn autogordel niet om had. Ik zag namelijk dat de gordel ongebruikt langs de deurstyle hing.”
5. De aangevoerde grond slaagt. Op grond van de verklaring in het zaakoverzicht alsmede voormeld proces-verbaal kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene als bestuurder van het onderhavige voertuig tijdens het rijden zijn autogordel niet om had. De ambtenaar heeft niet omschreven hoe de staandehouding heeft plaatsgevonden en daarbij uiteengezet of hij bijvoorbeeld toen hij een stopteken gaf of bij het aanspreken van de bestuurder zag dat de bestuurder zijn autogordel niet om had. Gelet hierop zijn onvoldoende gegevens voorhanden om de onderhavige gedraging te kunnen vaststellen. De kantonrechter heeft ten onrechte het beroep ongegrond verklaard. De inleidende beschikking kan derhalve niet in stand blijven.
6. Het bovenstaande leidt tot de navolgende beslissing.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.230,50 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.230,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.