ECLI:NL:GHARL:2025:4463

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
21-000349-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 36b Wetboek van StrafrechtArt. 36c Wetboek van StrafrechtArt. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit geladen semi-automatisch vuurwapen en munitie met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 18 juli 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2022 vernietigd en doet opnieuw recht in de zaak tegen verdachte geboren in 1992. Verdachte werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een geladen semi-automatisch pistool van het merk Walther, model PP, kaliber 9mm, en drie bijbehorende scherpe patronen.

Het hof achtte het bewezen dat verdachte het vuurwapen en de munitie in een door hem gebruikte auto had voorhanden, en baseerde dit op een bekennende verklaring en diverse proces-verbalen van politieonderzoek. Verdachte gaf wisselende verklaringen over het wapen, waardoor hij geen openheid gaf. Het bezit van het vuurwapen werd gekwalificeerd als een strafbaar feit ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank had een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, maar het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna anderhalf jaar. Daarom matigde het hof de straf met tien procent tot 324 dagen gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. De gevangenneming werd afgewezen. Daarnaast werden het pistool, patroonhouder en patronen onttrokken aan het verkeer. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een vaste baan en stabiele huisvesting, werden meegewogen, maar het hof vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend wegens de ernst van het feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 324 dagen gevangenisstraf voor bezit geladen semi-automatisch vuurwapen en munitie met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000349-22
Uitspraak d.d.: 18 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2022 met parketnummer 16-285276-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met dien verstande dat opnieuw een bevel tot gevangenneming wordt gegeven. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de gevangenneming bevolen van de verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank een deel van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer, te weten een pistool, een patroonhouder en drie patronen. Tot slot heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van de onder hem inbeslaggenomen Samsung-telefoon, een Huawei-telefoon en een Smartwatch.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 oktober 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een vuurwapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, van het merk Walther, model PP, kaliber 9mm K., zijnde een vuurwapen en/of
- (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen, kaliber 9 mm Br. C. of 380 auto, merk S&B en/of FC, voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezenverklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit.
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 4 juli 2025;
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ‘Vuurwapen BMW’, op 21 oktober 2021 opgemaakt door inspecteur van politie Midden-Nederland [verbalisant 1] , opgenomen als bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie van 9 december 2021, genummerd 2021317478 en 2021328173 (onderzoek Lyricon), pagina’s 1001 en 1002;
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0900-2021317478-64, opgemaakt door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende de categorisering van inbeslaggenomen voorwerpen in het kader van de Wet wapens en munitie, pagina’s 1102 tot en met 1104.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 oktober 2021 te [plaats] ,
- een vuurwapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, van het merk Walther, model PP, kaliber 9mm K., en
- ( bijbehorende) munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen, kaliber 9 mm Br. C. of 380 auto, merk S&B en FC, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde delict heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke gepleegde feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen en bijbehorende munitie. Het vuurwapen is aangetroffen in een door hem gebruikte auto. Dit betrof een semi-automatisch wapen. De verdachte heeft wisselende verklaringen gegeven voor de aanwezigheid van het vuurwapen en daardoor hierover geen openheid gegeven. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en herbergt het risico in zich dat dit zal worden gebruikt, met niet zelden ernstige gevolgen;
  • de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ter zake van delicten ingevolge de Wet wapens en munitie. In het geval van het voorhanden hebben van een pistool in een woning of in een openbare ruimte van categorie III van die wet wordt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier tot acht maanden als uitgangspunt genomen. In het geval van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een woning of in een openbare ruimte van categorie III van die wet wordt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot vijftien maanden als uitgangspunt bij de strafoplegging genomen. Verdachte had een semi-automatisch vuurwapen voorhanden.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
  • de inhoud van het reclasseringsrapport van 18 juni 2025, waaruit volgt dat de verdachte huisvesting, een vaste baan en een stabiel inkomen heeft en geen problemen kent met middelengebruik of psychosociaal functioneren. De reclassering ziet zijn schuldenlast en het feit dat hij nergens staat ingeschreven als risicofactoren;
  • de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daaruit is gebleken dat de verdachte woont met meerdere mensen, bij een vriend, maar daar niet staat ingeschreven.
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in verband met zijn persoonlijke omstandigheden, met name gelet op de baan die verdachte heeft. De raadsman heeft bepleit dat een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafoplegging is. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt.
Verder heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn waarbinnen de berechting had moeten plaatsvinden in hoger beroep is overschreden. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 28 januari 2022, de dag waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Dit arrest is uitgesproken op 18 juli 2025 en daarmee niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Het hof constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna anderhalf jaar. Aan die overschrijding zal het hof gevolgen verbinden door de duur van de oplegging van de gevangenisstraf met tien procent te matigen.
Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 324 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet.

Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte gevorderd. Het hof wijst die vordering af. Er zijn naar het oordeel van het hof wel ernstige bezwaren, maar geen gronden van toepassing.
Beslag
Het hof acht de aan de verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een pistool, een patronenhouder en drie patronen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het bewezenverklaarde met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de inbeslaggenomen smartwatch en telefoons (2) reeds heeft teruggekregen. Het hof zal over die inbeslaggenomen goederen dan ook geen beslissing nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
324 (driehonderdvierentwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • PISTOOL (Omschrijving: G2889650 WALTHER PP 9MM K);
  • PATROONHOUDER (Omschrijving: G2889655);
  • 3 X PATRONEN (Omschrijving: G2889657).
Wijst af het bevel tot gevangenneming.
Aldus gewezen door
mr. A.H. toe Laer, voorzitter,
mr. F. van der Maden en mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,
en op 18 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.