De vrouw en de man zijn in 2021 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en hebben een minderjarige zoon. In oktober 2024 sprak de rechtbank de echtscheiding uit en nam het convenant en ouderschapsplan op in de beschikking. De vrouw kwam in hoger beroep tegen de zorgregeling en partneralimentatie.
De man stelde dat de vrouw niet-ontvankelijk was omdat zij een akte van berusting had ondertekend waarin zij onvoorwaardelijk berustte in de beschikking. De vrouw voerde aan dat zij toch in hoger beroep kon komen vanwege miskenning van wettelijke maatstaven bij de alimentatie en praktische problemen met de zorgregeling.
Het hof oordeelde dat de akte van berusting ondubbelzinnig was en dat de man erop mocht vertrouwen dat de vrouw geen hoger beroep zou instellen. Gezien het onderhandelingsproces en de inhoud van het convenant was de vrouw niet-ontvankelijk. De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.