ECLI:NL:GHARL:2025:4617

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
200.353.404/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over spoedmachtiging en uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 juli 2025 uitspraak gedaan over de uithuisplaatsing van een minderjarige, hier aangeduid als [de minderjarige]. De kinderrechter in de rechtbank Gelderland had eerder een spoedmachtiging verleend voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 4 april 2025, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 oktober 2025. De moeder van [de minderjarige] was het niet eens met deze beslissingen en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft vastgesteld dat de spoedmachtiging ten onrechte was verleend, omdat niet was aangetoond dat er onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] was. Het hof vernietigde de beschikking van de kinderrechter met betrekking tot de spoedmachtiging, maar bekrachtigde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 oktober 2025, omdat de omstandigheden dat vereisten. Het hof benadrukte dat er een breed onderzoek nodig is naar de opvoedsituatie van [de minderjarige] en de moeder, die momenteel niet in staat is om aan de zorgbehoeften van [de minderjarige] te voldoen. De beslissing van het hof is genomen na een zitting op 5 juni 2025, waar de advocaten van beide ouders en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling aanwezig waren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.353.404
zaaknummer rechtbank Gelderland 448544
beschikking van 24 juli 2025
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.R.G. Drenth
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[de vader](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.W. Aartsen

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst tot 4 april 2025 en heeft [de minderjarige] vervolgens uit huis geplaatst tot 4 oktober 2025. Het hof beslist dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten onrechte is verleend en dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2020 geboren.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] staat onder toezicht van de GI en woont vanaf 7 maart 2025 bij de vader (uithuisgeplaatst bij de andere ouder zonder gezag).

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] met spoed uit huis te mogen plaatsen voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft de GI gemachtigd om [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen bij de vader voor vier weken, van 7 maart 2025 tot 4 april 2025. De kinderrechter heeft ook beslist dat die machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard). Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 maart 2025.
3.3.
Vervolgens heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader tot 4 oktober 2025. De kinderrechter heeft ook beslist dat die machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard). Die beslissing is uitgesproken op 14 maart 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de onder 3.2. en 3.3. genoemde beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof die beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt of een beslissing neemt die het hof juist en in het belang van [de minderjarige] vindt.
4.2.
De GI en de vadervinden dat die beslissingen in stand moeten blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • de stukken van de GI van 27 mei 2025, die met instemming van het hof en de advocaten van de ouders op 5 juni 2025 zijn nagekomen
4.4.
De zitting bij het hof was op 5 juni 2025. Aanwezig waren:
  • de advocaat van de moeder
  • een vertegenwoordiger van de GI
  • de advocaat van de vader

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] .
5.2.
Die machtiging kan alleen meteen worden gegeven (spoedmachtiging) als de mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikking verliest haar kracht na twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
De spoedmachtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep tot 4 april 2025 en is dus al uitgevoerd. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel gegeven had mogen worden (rechtmatigheidstoets).
5.4.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter geen spoedmachtiging aan de GI had mogen geven, omdat niet is gebleken dat de behandeling niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Het hof vindt daarvoor belangrijk dat de GI haar voornemen om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te vragen eerst op maandag 3 maart 2025 met de advocaat van de moeder heeft besproken. [de minderjarige] verbleef op dat moment in verband met de vakantie een week bij de vader, zodat [de minderjarige] op een voor haar veilige plek was en er dan ook tijd was om een machtiging aan te vragen en de behandeling af te wachten. De GI is vervolgens pas op 7 maart 2025 en dus vier dagen later daadwerkelijk overgegaan tot het aanvragen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. De GI heeft daarmee naar het oordeel van het hof geen blijk gegeven van het bestaan van zodanige spoed dat de behandeling niet afgewacht kon worden. Nu niet aannemelijk was dat sprake was van een onmiddellijk en dreigend gevaar voor [de minderjarige] had de kinderrechter de beschikking niet mogen geven zonder de belanghebbenden eerst te horen.
5.5.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de beschikking van 7 maart 2025 ten onrechte is verleend. Die beslissing van de kinderrechter zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd) en het hof zal het verzoek van de GI over de spoedmachtiging alsnog af wijzen.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.6.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 4 oktober 2025.
5.7.
Die machtiging is terecht aan de GI gegeven, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Die beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt ook dat de kinderrechter die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom over. Het hof vult de uitleg nog aan.
5.8.
De kinderrechter heeft overwogen dat het gelet op de bestaande zorgen en de onduidelijkheid over de opvoedsituatie en de omstandigheden bij de moeder van belang is dat breed wordt onderzocht wat de meest geschikte plek voor [de minderjarige] is. Ook het hof is van oordeel dat dit onderzoek nodig is om te kunnen vaststellen wat [de minderjarige] en de moeder nodig hebben om [de minderjarige] mogelijk bij haar thuis te kunnen laten opgroeien. Tijdens de mondelinge behandeling is echter bleken dat de moeder na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] buiten beeld is geraakt en dat het de GI niet lukt om met haar in contact te komen. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de moeder op dit moment overvraagd wordt. De moeder is daardoor niet in staat op afspraken te verschijnen en in gesprek te gaan met de GI. Zo heeft de moeder laten weten het belangrijk te vinden om haar verhaal te vertellen, maar is dit haar nog niet gelukt. Daarnaast heeft de GI laten weten dat alles klaar staat om begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de moeder mogelijk te maken, maar dat de GI dit gelet op het voorgaande nog niet met de moeder heeft kunnen bespreken. Ook was de moeder niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, terwijl dat volgens haar advocaat wel de bedoeling was. Omdat het de GI in de afgelopen periode niet is gelukt om in contact te komen met en zicht te krijgen op de moeder is op dit moment nog onduidelijk in hoeverre de moeder in staat is als verzorger en opvoeder aan [de minderjarige] te geven wat [de minderjarige] nodig heeft. Zolang deze duidelijkheid er niet is kan naar het oordeel van het hof van thuisplaatsing geen sprake zijn.
5.9.
Het hof is van oordeel dat met een minder vergaande maatregel niet kan worden volstaan. Het hof is met de GI eens dat er onder de huidige omstandigheden, anders dan de moeder wenst, geen sprake kan zijn van een opname in een moeder-kindhuis. Zoals de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt zal de moeder in geval van plaatsing in een moeder-kindhuis immers in staat moeten zijn om samen te werken met het moeder-kindhuis en gesprekken aan te gaan over de doelen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 7 maart 2025 over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en
6.2.
wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder zonder gezag voor de duur van vier weken en deze beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoren van de belanghebbenden, alsnog af;
6.3.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 14 maart 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M van Os-ten Have en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 800 lid 3 Rv