De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissingen van de kinderrechter die haar minderjarige kind met spoed en daarna langdurig uit huis plaatste bij de vader. De spoedmachtiging liep van 7 maart tot 4 april 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 oktober 2025.
Het hof oordeelt dat de spoedmachtiging ten onrechte is verleend omdat niet is gebleken van onmiddellijk en ernstig gevaar dat geen uitstel van behandeling toeliet. De GI had het voornemen op 3 maart besproken en de minderjarige verbleef veilig bij de vader, zodat afwachten mogelijk was. De spoedmachtiging wordt vernietigd en het verzoek alsnog afgewezen.
De machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 oktober 2025 wordt echter bekrachtigd. De minderjarige kan nog niet thuis wonen vanwege bestaande zorgen en onduidelijkheid over de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is moeilijk bereikbaar en niet in staat afspraken na te komen, waardoor het noodzakelijk is dat de minderjarige elders verblijft totdat duidelijk is wat nodig is om terugkeer mogelijk te maken.
Het hof benadrukt dat een minder vergaande maatregel niet volstaat en dat opname in een moeder-kindhuis op dit moment niet mogelijk is omdat de moeder niet kan samenwerken met de instelling. De beslissing van de kinderrechter van 14 maart 2025 blijft daarom in stand.