De minderjarige, geboren in 2014, is sinds het uiteengaan van zijn ouders in 2018 woonachtig bij zijn vader. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit. Sinds 12 september 2022 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI), een maatregel die meerdere malen is verlengd. De vader weigert mee te werken aan de hulpverlening en houdt instanties buiten de deur, waardoor de GI geen zicht heeft op de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.
De moeder heeft de omgang met de minderjarige in oktober 2024 stopgezet uit onveiligheidsgevoelens. Er is een melding van mogelijke mishandeling door de vader bij Veilig Thuis gedaan, waar de vader het politieonderzoek heeft bemoeilijkt. De vader erkent de zorgen niet en heeft zelf hulpverlening ingeschakeld en weer stopgezet zonder overleg met de GI.
De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 6 januari 2026, een beslissing die het hof na hoger beroep bekrachtigt. Het hof benadrukt dat de ondertoezichtstelling geen vrijblijvende maatregel is en dat de vader de GI moet toelaten om de situatie te kunnen monitoren. De verlenging is noodzakelijk in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige en er is geen aanleiding om de duur te verkorten.