In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter, die in een pleeggezin woont en een voogd heeft. De vader verzocht om een wijziging van de omgangsregeling, die in eerste aanleg door de rechtbank Gelderland was vastgesteld. De rechtbank had bepaald dat de dochter eenmaal per vier weken bij de vader verblijft, maar de vader wilde meer contact. Het hof heeft de situatie van de minderjarige, die inmiddels bijna zestien jaar oud is, in overweging genomen. De minderjarige heeft aangegeven dat zij het liefst minder vaak contact met haar vader wil hebben, en het hof heeft besloten dat een omgangsregeling van één zondag per kwartaal het hoogst haalbare is. Het hof heeft ook het verzoek van de vader om een diagnostisch onderzoek afgewezen, omdat dit te laat was ingediend en niet voldeed aan de wettelijke vereisten. De voogdij blijft bij de GI, en de vader's verzoek om de voogdij op te heffen is afgewezen. De beslissing van de rechtbank over de voogdij en het benoemen van een bijzondere curator is bekrachtigd, terwijl de omgangsregeling is aangepast. Het hof benadrukt het belang van de wensen van de minderjarige en de noodzaak om haar niet te overbelasten met contactmomenten.