ECLI:NL:GHARL:2025:4674

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
200.350.462
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling en voogdij in een complexe gezinssituatie met een minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter, die in een pleeggezin woont en een voogd heeft. De vader verzocht om een wijziging van de omgangsregeling, die in eerste aanleg door de rechtbank Gelderland was vastgesteld. De rechtbank had bepaald dat de dochter eenmaal per vier weken bij de vader verblijft, maar de vader wilde meer contact. Het hof heeft de situatie van de minderjarige, die inmiddels bijna zestien jaar oud is, in overweging genomen. De minderjarige heeft aangegeven dat zij het liefst minder vaak contact met haar vader wil hebben, en het hof heeft besloten dat een omgangsregeling van één zondag per kwartaal het hoogst haalbare is. Het hof heeft ook het verzoek van de vader om een diagnostisch onderzoek afgewezen, omdat dit te laat was ingediend en niet voldeed aan de wettelijke vereisten. De voogdij blijft bij de GI, en de vader's verzoek om de voogdij op te heffen is afgewezen. De beslissing van de rechtbank over de voogdij en het benoemen van een bijzondere curator is bekrachtigd, terwijl de omgangsregeling is aangepast. Het hof benadrukt het belang van de wensen van de minderjarige en de noodzaak om haar niet te overbelasten met contactmomenten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.462
(zaaknummer rechtbank Gelderland 439333)
beschikking van 29 juli 2025
inzake
de gecertificeerde instelling (de GI)
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: eerst mr. F.B. Flooren, nu mr. P.K. de Blieck-Willemsen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de pleegouders],
via het adres van de GI,
verder te noemen: de pleegouders.
Als informant is aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de moeder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 januari 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht van mr. De Blieck-Willemsen van 4 juni 2025 met producties;
- een journaalbericht van mr. De Blieck-Willemsen van 10 juni 2025 met een productie;
- een mail van de GI van 17 juni 2025 met producties.
2.2
[de minderjarige] heeft op 16 juni 2025 met de voorzitter, in het bijzijn van de griffier, gesproken over haar situatie.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 18 juni 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door advocaat mr. I.P.C. Sindram;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder ook: de raad).
Een stagiaire van de GI is bijzondere toegang als toehoorder verleend.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder - die gescheiden zijn - zijn de ouders van:
[de minderjarige] , geboren [in] 2009.
3.2
De ouders hebben nog een dochter, genaamd Noa. Zij is 14 jaar oud en woont bij de vader.
3.3
Sinds mei 2010 is [de minderjarige] uithuisgeplaatst in het gezin van de pleegouders.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 6 juni 2017 is het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Deze beschikking is bekrachtigd bij beschikking van 6 februari 2018 van dit hof.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank als omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader bepaald dat [de minderjarige] eenmaal per vier weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en twee keer per jaar een week vakantie bij de vader verblijft. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat de vader [de minderjarige] naar haar sportactiviteiten kan brengen. Als dat niet lukt dan komt [de minderjarige] pas zaterdag na het sporten naar de vader toe.
De rechtbank heeft de overige verzoeken van de vader om de voogdij van de GI te beëindigen en hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten, het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem vast te stellen en een bijzondere curator te benoemen, afgewezen.
4.2
Daarna heeft de vader een kort geding aangespannen waarin hij om nakoming door de GI van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling op verbeurte van een dwangsom heeft verzocht. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 23 januari 2025 is als omgangsregeling bepaald dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
- in de periode tot en met juli 2025: een dag per twee maanden, te beginnen in februari 2025;
- in de periode 1 augustus 2025 – 31 oktober 2025: een zondag per maand;
- vanaf 31 oktober 2025: een keer per vier weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- en als het voorgaande loopt, twee keer één week vakantie per jaar;
- alles onder regie van de voogd.
De vader is in hoger beroep gekomen van dit vonnis (zaaknummer 200.351.985). Het hof heeft zijn verzoeken in die procedure tegelijk met de verzoeken in deze procedure bij de mondelinge behandeling op 18 juni 2025 behandeld.
4.3
De GI komt in hoger beroep van de bestreden beschikking.
De GI wil dat het hof een andere omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] dan de regeling die in de bestreden beschikking (en ook anders dan de regeling die in het vonnis in kort geding) is vastgesteld, bepaalt.
De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt uitsluitend ten aanzien van de omgangsregeling) en te bepalen dat [de minderjarige] een dag per kwartaal op zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur, en voor het overige onder regie van de voogd, bij de vader zal verblijven.
4.4
De vader voert verweer tegen het verzoek van de GI en vraagt het hof dat verzoek af te wijzen. De vader komt zelf ook in hoger beroep van de bestreden beschikking omdat hij het niet eens is met de afwijzing van zijn overige verzoeken.
De vader verzoekt het hof:
in het principaal hoger beroep
- het beroep van de GI niet ontvankelijk te verklaren;
in het incidenteel hoger beroep
  • de voogdijmaatregel op te heffen en hem alsnog te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
  • het hoofdverblijf van [de minderjarige] , na een deugdelijk opbouw, bij hem te bepalen;
  • een bijzondere curator te benoemen die de belangen van [de minderjarige] nader kan onderzoeken en advies kan uitbrengen.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld dat hij zijn verzoek om het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem te bepalen intrekt. Aanvullend verzoekt hij het hof te bepalen dat er een diagnostisch onderzoek moet worden verricht.
4.5
De voogd voert verweer in het incidenteel hoger beroep en vraagt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Gesprek hof met [de minderjarige]
5.1
De voorzitter heeft in het bijzijn van de griffier met [de minderjarige] gesproken. [de minderjarige] heeft uitgelegd dat zij een druk leven heeft. Zij besteedt veel tijd aan school, sport en een bijbaan. Zij woont bijna haar hele leven al bij de pleegouders en heeft het daar naar haar zin. Zij vindt het vervelend dat de vader negatieve opmerkingen maakt over haar pleegouders en dat hij foto’s van haar tijdens de omgang gebruikt in procedures. Wanneer zij bij de vader en Noa verblijft dan voelt zij afstand. Ook vindt ze dat hij niet goed luistert naar wat ze aan hem vertelt en dat dingen toch moeten gebeuren zoals hij het wil. Haar pleegouders houden haar niet tegen om naar haar vader te gaan. De voogd [de voogd] luistert goed naar wat zij vertelt en begrijpt goed wat zij wil. Zij vindt het genoeg om haar vader één keer per half jaar te bezoeken. Als het eenmaal per kwartaal moet dan zal zij daar wel aan meewerken. Wanneer wordt beslist dat zij vaker naar haar vader moet gaan dan gaat zij dat niet uitvoeren. Op dit moment werkt zij wel mee aan een contact eenmaal per twee maanden zoals vastgesteld in het vonnis van 23 januari 2025, maar zij vindt dat echt veel teveel. Ze hoopt dat er eindelijk naar haar wordt geluisterd. Ze weet dat is besproken dat er een gesprek tussen haar en de vader moet komen. Zo’n gesprek vindt zij heel erg moeilijk, maar als het nodig is om de vader te laten geloven dat zij echt niet vaker contact met hem wil dan zal ze dat wel doen. Het liefst voert zij dit gesprek dan in het bijzijn van de pleegouders en/of de voogd.
Advies raad
5.2
De raad constateert dat er veranderingen zijn in de situatie van [de minderjarige] ten opzichte van haar situatie tijdens de procedure in eerste aanleg. [de minderjarige] heeft inmiddels een goed contact opgebouwd met de destijds net aangestelde voogd ( [de voogd] ) vanuit de GI. De mening die [de minderjarige] kenbaar maakt aan de voogd komt overeen met de mening die ze bij haar pleegouders heeft uitgesproken en bij het hof heeft ze nu hetzelfde verklaard. Het is pijnlijk voor de vader om te horen dat [de minderjarige] veel minder vaak contact met hem wil hebben dan hij zelf wil, maar het is belangrijk om de mening van [de minderjarige] serieus te nemen. Zij is bijna zestien jaar en dat is een ingewikkelde levensfase waarin zij volop bezig is met haar identiteitsontwikkeling. [de minderjarige] moet op dit moment niet gepusht worden in het contact, want dan zal de weerstand juist groter worden. In eerste aanleg is eenmaal per maand contact tussen de vader en [de minderjarige] door de raad geadviseerd, maar dat blijkt teveel te zijn. Nu [de minderjarige] kenbaar maakt dat zij het liefst maar twee keer per jaar contact met haar vader zou willen hebben, lijkt eenmaal per kwartaal contact het maximaal haalbare.
De raad stelt vast dat de voogd en de pleegouders wel open staan voor meer contact tussen [de minderjarige] en de vader. De raad adviseert de voogd en de pleegouders het gesprek met [de minderjarige] daarover te blijven voeren. De raad ziet geen meerwaarde in een diagnostisch onderzoek zoals de vader graag wil. [de minderjarige] wordt belast door de procedures over het contact; voorkomen moet worden dat [de minderjarige] overvraagd gaat worden en helemaal niet meer naar de vader gaat.
Aanvullend verzoek om diagnostisch onderzoek
5.3
De vader heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij vindt dat zijn zorgen over de situatie van [de minderjarige] in het pleeggezin de afgelopen jaren onvoldoende serieus zijn opgepakt door de GI. Ook vindt hij dat [de minderjarige] tegenstrijdige signalen afgeeft. Daarom wil hij dat er een diagnostisch onderzoek door een hulpverlenende instantie als Karakter wordt verricht. Andere opties zijn een onderzoek door de raad of het NIFP. De vader stelt dat hij op basis van de Grondwet en Internationale Verdragen recht heeft op een dergelijk onderzoek.
Het hof gaat er vanuit dat de vader bedoelt dat het hof een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal gelasten. In voornoemd artikel is bepaald dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige kan benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Het hof is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit verzoek, omdat hij het verzoek in een te laat stadium heeft ingediend, zijn verzoek niet ziet op een situatie als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv en hij bovendien onvoldoende nader heeft geconcretiseerd wat er precies onderzocht moet worden en op welke wijze dat dan mede tot beslissing van de zaak kan leiden.
Gezag
5.4
Volgens artikel 1:328 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de voogdij van de GI beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de GI haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1 tweede lid van de Jeugdwet (Jw).
5.5
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader om de voogdijmaatregel op te heffen en hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten moet worden afgewezen.
De vader stelt dat de opvoedvaardigheden van de pleegouders in twijfel moeten worden getrokken. Het feit dat de pleegouders en [de minderjarige] systeemtherapie volgen bevestigt dat. Hij vindt het zorgelijk dat [de minderjarige] tegen hem heeft gezegd dat ze bij de pleegouders in de kelder wordt gesmeten als ze zegt dat ze meer contact met hem wil. Ook wordt [de minderjarige] volgens hem door de pleegouders onvoldoende begrensd.
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De stellingen van de vader vinden in het procesdossier geen steun. De vader heeft zijn stellingen op dit punt ook in hoger beroep niet nader onderbouwd.
Niet is gebleken dat [de minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling. Zij is veilig gehecht aan haar pleegouders en ontwikkelt zich in het algemeen goed. Omdat [de minderjarige] liever geen therapie aangaat, zijn de pleegouders inmiddels zelf gestart met de systeemtherapie. Het is de bedoeling dat [de minderjarige] hierbij dan later laagdrempelig kan gaan aansluiten, en daar is al een begin mee gemaakt. Dat [de minderjarige] professionele ondersteuning nodig heeft voor het leren uiten van haar gevoelens en emoties, betekent nog niet dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.
Er zijn veel wisselingen in de persoon van de voogd geweest en dat is onwenselijk, maar in hoger beroep is gebleken dat [de minderjarige] met de huidige voogd gelukkig goed in samenwerking is gekomen. Er is wederzijds vertrouwen opgebouwd en dat is heel belangrijk voor [de minderjarige] . Er is dan ook geen sprake van dat de GI haar taken niet op een verantwoorde wijze uitoefent. Verder ziet het hof dat de huidige voogd zich inspant om te communiceren en samen te werken met de vader. Het is begrijpelijk dat dit moeizaam gaat, omdat de voogd het contact tussen de vader en [de minderjarige] – rekening houdend met de wens van [de minderjarige] – wil verminderen, terwijl de vader dat juist niet wil.
Het hof is op basis van het vorenstaande van oordeel dat er niet aan het wettelijk criterium om het gezag van de GI te beëindigen wordt voldaan. De bestreden beschikking zal ten aanzien van het gezag worden bekrachtigd.
Hoofdverblijf
5.6
De vader heeft zijn verzoek bij de mondelinge behandeling ingetrokken zodat het hof niet aan een beoordeling toekomt.
Bijzondere curator 1:250 BW
5.7
Artikel 1:250 BW bepaalt dat de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van de met het gezag belaste voogd dan wel een ouder in strijd zijn met die van de minderjarige, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator kan benoemen om de minderjarige ter zake te vertegenwoordigen.
5.8
De vader stelt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat een bijzondere curator wordt aangesteld, omdat [de minderjarige] tegen hem anders verklaart over het contact dat zij wil met hem en haar zusje dan tegen de voogd en de pleegouders. De bijzondere curator kan onafhankelijk in kaart brengen wat de belangen van [de minderjarige] zijn.
Het hof zal het verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator afwijzen. [de minderjarige] heeft verteld aan het hof dat zij het niet nodig vindt om met een onafhankelijke professional te kunnen praten, omdat zij al een duidelijke mening heeft en die aan de voogd kenbaar kan maken. Het hof heeft de indruk dat de voogd voldoende fungeert als neutrale tussenpersoon en de belangen van [de minderjarige] goed behartigt. Het hof stelt verder vast dat [de minderjarige] stellig is in haar uitlatingen over het contact met de vader. Niet alleen bij de pleegouders en de voogd, maar ook bij de kinderrechter in de rechtbank en opnieuw bij het hof. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een belangenstrijd tussen [de minderjarige] en de voogd. Bovendien heeft de raad er op gewezen dat voorkomen moet worden dat [de minderjarige] overbelast raakt door de procedures over de omgang met haar vader. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er een eindbeslissing wordt gegeven en er een eind komt aan de procedures die over haar worden gevoerd.
Omgangsregeling
5.9
De rechter kan op grond van artikel 1:377a lid 3 BW op verzoek van een ouder of degene die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vaststellen. Op grond van artikel 1:377e kan de rechter op verzoek van een ouder of degene die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
5.1
Het hof is van oordeel dat een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] gedurende één zondag per kwartaal het hoogst haalbare is op dit moment en dat geen omgangsregeling met een hogere frequentie moet worden vastgelegd.
Het hof heeft geconstateerd dat [de minderjarige] goed in staat is om haar mening te verwoorden. Haar wensen komen op het hof authentiek over en zij kan goed uitleggen waarom zij minder vaak contact met haar vader wil hebben. Haar mening is bovendien sinds vorig jaar niet veranderd. Zij is inmiddels een jonge vrouw die veel energie stopt in haar sport en in school en ook nog in een bijbaan. Zij bouwt een eigen leven op en ontwikkelt haar identiteit. Het hof neemt verder in aanmerking dat de raad adviseert om aan te sluiten bij het tempo van [de minderjarige] en de situatie niet te forceren door haar nu te overvragen, omdat het risico dan groot is dat [de minderjarige] helemaal geen contact meer met haar vader wil.
Nu [de minderjarige] aan haar pleegouders en aan alle professionals kenbaar maakt dat ze minder vaak contact met haar vader wil, dient de vader deze wens van [de minderjarige] te respecteren. Uit hetgeen [de minderjarige] heeft verklaard, blijkt dat zij emotionele toestemming van de vader nodig heeft om in het pleeggezin te wonen en dat zij graag wil dat de vader beter luistert naar wat zij zegt en dat serieus neemt. Het is in het belang van [de minderjarige] wanneer de vader goed in samenwerking is met de voogd. De contacten van [de minderjarige] met haar vader en ook met Noa moeten onbelast en fijn zijn. Vanuit de systeemtherapie bij Karakter moet de komende tijd worden ingeschat of een gesprek tussen de vader en [de minderjarige] over de frequentie van het contact tussen hen nog wenselijk is en zo ja, op welke manier dat verantwoord kan worden gevoerd.
Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader vernietigen en beslissen als na te melden. Het hof zal niet bepalen dat de regie bij de GI wordt gelegd, nu de GI voogd is en uit dien hoofde de regie al heeft en bovendien heeft toegezegd aan uitbreiding van de omgang te zullen meewerken wanneer [de minderjarige] dat wil.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv te gelasten;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2024, ten aanzien van de beslissingen over de voogdij over [de minderjarige] , en het benoemen van een bijzondere curator;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2024 ten aanzien van de beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt als omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , dat [de minderjarige] met ingang van heden minimaal één zondag per kwartaal van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, I.A. Vermeulen en M. Kemmers, bijgestaan door de griffier, en is op 29 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.