Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden staat de verdeling van de huwelijksgemeenschap centraal, met name de waardering van de ondernemingen van de man en de draagplicht voor belastingschulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan.
Het hof bevestigt dat de activa en passiva van de eenmanszaak en de aandelen van de holding tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Beide partijen zijn hoofdelijk draagplichtig voor de belastingschulden aan de fiscus, waarbij de man recht heeft op vergoeding van de helft van de door hem betaalde schulden door de vrouw. De waardering van de ondernemingen vindt plaats op basis van de DCF-methode, waarbij het hof uitgaat van de voorlopige cijfers die kort na de peildatum (31 december 2019) bekend waren, en niet van later bekende definitieve cijfers.
De aandelen van de holding worden aan de man toegedeeld met een verplichting tot betaling aan de vrouw wegens overbedeling. De activa en schulden van de eenmanszaak worden eveneens aan de man toegedeeld, met inachtneming van de gezamenlijke draagplicht voor de belastingschulden. De kosten van het deskundigenonderzoek worden gelijkelijk verdeeld tussen partijen. De procedurekosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Het hof wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof deelt aandelen en activa toe aan de man, bevestigt de gezamenlijke draagplicht voor belastingschulden en veroordeelt partijen tot gelijke betaling van deskundigenkosten.