ECLI:NL:GHARL:2025:4742

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
21-000538-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewapende woningoverval en mishandeling met recidive

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor zijn rol in een gewapende woningoverval en mishandeling, waarbij hij samen met medeverdachten op 8 december 2022 een woning binnendrong. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van een gewapende woningoverval, wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en poging tot afpersing. Het hof bevestigde de veroordeling van de rechtbank, maar verhoogde de gevangenisstraf tot acht jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof oordeelde dat de TBS-maatregel niet noodzakelijk was, maar legde wel een maatregel op op basis van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte had eerder ook al veroordelingen voor vergelijkbare feiten, wat zijn recidive-risico verhoogde. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, met schadevergoedingen voor immateriële schade en wettelijke rente. Het hof benadrukte de impact van de feiten op de slachtoffers en de ernst van de gepleegde misdrijven.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000538-24
Uitspraak d.d.: 31 juli 2025
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2024 met het parketnummer 18-326193-22 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
thans verblijvende in de [PI] , gevangenis te [plaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 20 september 2024, 3 juli 2025 en 31 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
  • de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair aan hem ten laste gelegde feiten;
  • de verdachte ter zake van de onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS);
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 500,00 ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Michels, hebben aangevoerd en hetgeen de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , mr. A. Elzinga, naar voren heeft gebracht op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank:
  • de verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair aan hem ten laste gelegde feiten;
  • de verdachte ter zake van de onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast opgelegd de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels toegewezen, tot een bedrag van € 500,00 ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 1] voor het overige afgewezen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 2] voor het overige afgewezen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 3] voor het overige afgewezen.
Het gerechtshof merkt op dat in het vonnis van de rechtbank in feit 4 van de tenlastelegging als pleegperiode is opgenomen “in de periode van 7 tot en met 8 december”. Zo is de tenlastelegging op dit punt na toewijzing van de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging op 23 juni 2023 inderdaad komen te luiden. Het gerechtshof leest de pleegperiode verbeterd als:
in de periode van 7 tot en met 8 december 2022.De verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang
.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis van de rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:2024:196) bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis van de rechtbank dan ook worden vernietigd.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Wel zal het gerechtshof het vonnis met aanvulling van de bewijsgronden en met verbeterde lezing van de kwalificatie, bevestigen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
Aanvulling van de bewijsgronden naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer
De verdediging heeft in hoger beroep enkel betwist dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de gewelddadige woningoverval aan [adres] in [plaats] op
8 december 2022 (feit 3) en de daarmee gepaard gaande wederechtelijke vrijheidsberoving van drie mensen die in die woning aanwezig waren (feit 4).
In de kern is dat verweer met name gegrond op de nadere verklaring die de verdachte pas in de eindfase van het hoger beroep - op diens eigen verzoek - bij de politie heeft afgelegd op 17 april 2025 over zijn betrokkenheid en rol bij die feiten. In die verklaring - en óók in de verklaring die de verdachte op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 heeft afgelegd - heeft de verdachte zijn betrokkenheid en rol omschreven als die van een pas op het allerlaatste moment erbij betrokken geraakte persoon, die enkel en alleen als chauffeur voor de feitelijke daders heeft opgetreden. Op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 heeft de verdachte aanvankelijk ontkend dat hij zelf óók in de woning aan [adres] in [plaats] is geweest. Hij heeft aanvankelijk verklaard dat hij de hele tijd in de auto heeft zitten wachten totdat de feitelijke daders teruggekeerd waren. Uiteindelijk heeft hij op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 bekend dat hij óók zelf in de woning aan [adres] in [plaats] aanwezig is geweest. Zowel in zijn verklaring bij de politie op 17 april 2025 als in zijn verklaring op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 heeft de verdachte verklaard dat ze met z’n vijven op pad zijn gegaan voor de woningoverval.
De verdediging heeft - op nader in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden - vrijspraak van de feiten 3 en 4 bepleit op grond van het ontbreken van overtuigend bewijs voor het
medeplegenvan die feiten door de verdachte. Subsidiair is aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gebruik van geweld of bedreiging met geweld. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte geen deelgenoot is geweest van het vooropgezette plan om een woningoverval te plegen, dat hij ter plaatse enigszins is overvallen door de situatie waarin hij belandde en dat hij zich weliswaar niet voldoende heeft gedistantieerd, maar ook geen uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Het gerechtshof overweegt het volgende over hetgeen de verdachte en de verdediging in hoger beroep hebben aangevoerd.
Anders dan de verdediging, acht het gerechtshof - gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - wél overtuigend bewijs aanwezig voor de door de rechtbank bewezen verklaarde betrokkenheid en rol van de verdachte , als medepleger van de feiten 3 en 4.
Er is - gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - bewijs aanwezig voor de omstandigheid dat de verdachte opzet heeft gehad op het gebruik van geweld en bedreiging met geweld. Diverse attributen die door de verdachte en de mededaders zijn meegenomen naar de woning aan [adres] in [plaats] , zoals een vuurwapen, tie-wraps en een fles Glassex die gevuld was met ammoniak, duiden op het voorgenomen gebruik van geweld en op bedreiging met geweld.
De verklaringen die de verdachte heeft afgelegd bij de politie op 17 april 2025 en op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 acht het gerechtshof niet geloofwaardig, voor zover de verdachte daarin heeft verklaard dat hij een beduidend geringere betrokkenheid en rol heeft gehad in het geheel. De verdachte heeft zijn betrokkenheid en rol zelf niet geduid als die van een medeplichtige, maar daar komt zijn verklaring in de kern op neer.
Het gerechtshof grondt het oordeel dat de verklaring van de verdachte in zoverre niet geloofwaardig is met name op de voor de verdachte uiterst belastende verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd over de betrokkenheid en rol van de verdachte. Het gerechtshof acht de beide verklaringen van [medeverdachte] die de rechtbank heeft gebruikt als bewijsmiddel op dat aspect authentiek en naar waarheid afgelegd. Die verklaringen duiden de verdachte als medepleger van de woningoverval aan [adres] in [plaats] en van de daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het gerechtshof gelooft de verdachte evenmin in zijn bewering dat ze met z’n vijven op pad waren voor de woningoverval. Die bewering vindt nergens in het strafdossier ook maar enige ondersteuning. Integendeel, aangever [benadeelde partij 2] heeft het over vier mannen en ook [medeverdachte] heeft verklaard over vier daders. Dat het om vier gaat volgt ook uit de bij de politie afgelegde verklaring van getuige [getuige] . Het gerechtshof acht dat onderdeel van verdachte’s verklaring dan ook een door hem verzonnen aspect, als poging van hem om - na kennis te hebben kunnen nemen van de inhoud van het strafdossier inzake de feiten 3 en 4 - aan een veroordeling voor die feiten te ontkomen.
Gelet op het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer van de verdachte en de verdediging.
Overige aanvulling van de bewijsgronden
Het gerechtshof gebruikt tevens voor het bewijs de verklaring die de verdachte heeft afgelegd op de zitting in hoger beroep, voor zover inhoudende - op de vraag van de oudste raadsheer aan hem of hij binnen is geweest in de woning aan [adres] in [plaats] - dat hij inderdaad in die woning is geweest.
Het gerechtshof gebruikt, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet voor het bewijs de verklaring die de getuige [getuige] op 2 juni 2023 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 9 bij de feiten 3 en 4, op pagina 16 van het vonnis van de rechtbank). In dit verhoor is [getuige]
uitsluitendals getuige in de zaak van [medeverdachte] gehoord. Dit verhoor kan daarom geen bewijs vormen in de zaak van de verdachte.
Het gerechtshof begrijpt het bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechtbank op de zitting (bewijsmiddel 10 bij de feiten 3 en 4, op pagina 16 van het vonnis van de rechtbank) aldus dat de in dat bewijsmiddel als “verdachte” aangeduide persoon is: de verdachte [verdachte] .
Verbeterde lezing van de kwalificatie
In het vonnis van de rechtbank zijn de onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten als volgt gekwalificeerd:
“Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en 2 subsidiair:
Eendaadse samenloop van:
enerzijds
medeplegen van mishandeling
en
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer
verenigde personen het misdrijf plegen
en anderzijds
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van feit 3 en 4:
Eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl
het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden.”.
Het gerechtshof stelt vast dat de rechtbank ter zake van deze strafbare feiten eendaadse samenloop heeft benoemd in de kwalificatie. Mede gelet op de verschillende rechtsbelangen die worden beschermd door de wetsartikelen ter zake van de hierboven genoemde strafbare feiten, hetgeen duidt op meerdaadse samenloop, zal het gerechtshof de kwalificatie als volgt verbeterd lezen:
Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit levert op:

medeplegen van mishandeling

en
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit levert op:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 3 bewezen verklaarde feit levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl
het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Het onder 4 bewezen verklaarde feit levert op:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ten aanzien van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de rol van de verdachte - als medepleger - ter zake van het bewezen verklaarde binnendringen in de woning aan de [adres] in [plaats] (feit 1 meer subsidiair). Dit binnendringen in de woning heeft vervolgens geresulteerd in mishandeling van de betrokken bewoner [slachtoffer 1] (feit 1 meer subsidiair) en in een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] (feit 2 subsidiair).
Op 12 december 2022 is de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] naar een woning aan de [adres] in [plaats] gegaan om een schuld te vereffenen. Om aangever ertoe te dwingen zijn telefoon te resetten ter vereffening van de schuld hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de voordeur van aangevers woning ingetrapt, waarna ze aangever in zijn woning hebben mishandeld. Op enig moment heeft aangever een mogelijkheid gezien te ontsnappen en is hij vervolgens roepend om hulp zijn woning uit gevlucht. Aangever heeft veel pijn geleden door het geweld dat tegen hem is gebruikt en voelde zich nadien onveilig in zijn eigen woning. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het gerechtshof rekent het de verdachte aan dat hij zich kennelijk enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin, alsmede dat hij in het feit dat aangever een schuld bij [medeverdachte] had kennelijk een rechtvaardiging heeft gezien voor het gebruik van geweld;
 de rol van de verdachte - als medepleger - ter zake van de bewezen verklaarde bijzonder gewelddadige en bedreigende woningoverval aan [adres] in [plaats] (feit 3 subsidiair) en de daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving van de drie in die woning aanwezige personen (feit 4).
In de woning die in die nacht is overvallen bevonden zich drie personen: te weten
[slachtoffer 2] , zijn vriendin [slachtoffer 3] , en zijn moeder [slachtoffer 4] , die destijds 73 jaar oud was. Met het oog op het verkrijgen van de sleutel van een kluis waar volgens een tipgever veel geld in zou liggen, hebben de overvallers de slachtoffers vastgebonden met duct-tape en tiewraps en urenlang vastgebonden gehouden, bedreigd met een vuurwapen en overgoten met vloeistof onder de bedreiging dat [slachtoffer 2] in brand gestoken zou worden. Uit de op de zitting van de rechtbank door aangever [slachtoffer 3] voorgedragen slachtofferverklaring en uit de onderbouwing van en toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat de woningoverval veel impact heeft gehad op [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Zij hebben doodsangsten uitgestaan en ondervinden nog steeds zeer nadelige psychische gevolgen van de woningoverval. Ze zijn angstig en wantrouwend geworden en voelen zich niet meer vrij en veilig in hun eigen huis.
Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen voelen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij de slachtoffers van deze zeer gewelddadige woningoverval, zoals hierboven nader omschreven. Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben.
 het gegeven dat door de binnendringing in de woning van [slachtoffer 1] , de mishandeling van [slachtoffer 1] en de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] en door de gewelddadige overval in de woning van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] daarnaast financiële schade, ernstige overlast en letsel is veroorzaakt bij de slachtoffers;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander;
  • de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Ter zake van het misdrijf van een gewelddadige overval in een woning kan in beginsel - aan de feitelijke dader - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren worden opgelegd. Als straf vermeerderende factoren kunnen daarbij in de beschouwing worden betrokken:
- kwetsbare slachtoffers;
- omvang schade;
- (aard en ernst) letsel;
- samenwerkingsverband;
- professionele werkwijze;
- recidive;
- soort wapen/voorwerp.
Alle hierboven genoemde wegingsfactoren, waarvan met name het bedreigen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een vuurwapen en het (kennelijk) bedreigen van [slachtoffer 2] met waterboarden dan wel verdrinking en met het dreigen [slachtoffer 2] in brand te steken en het vastbinden en knevelen, hebben in de visie van het gerechtshof een strafverzwarende uitwerking.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
 het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025. Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte eerder, op 24 juni 2020 en op
11 december 2017, is veroordeeld ter zake van het plegen van een gewelddadige woningoverval en een gewelddadige woninginsluiping, welke veroordelingen onherroepelijk zijn. Met name deze veroordelingen pleiten niet in zijn voordeel, nu de eerdere stevige bestraffingen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw te proberen een vermogensdelict (gericht tegen [slachtoffer 1] ) te plegen, met gebruikmaking van geweld, en een ander gewelddadig vermogensdelict (gericht tegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ) te plegen. Daarnaast is hij veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder woninginbraken, andere vermogensdelicten en geweldsdelicten, welke veroordelingen eveneens onherroepelijk zijn. Het gerechtshof leidt uit voorgaande af dat eerder opgelegde (forse) gevangenisstraffen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw soortgelijke feiten te plegen. Ook dit pleit niet in zijn voordeel;
 de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf als uitgangspunt aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige zaak - inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof oplegging van een andere strafmodaliteit dan hierna is bepaald, aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.
Het gerechtshof heeft tevens gelet op overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, nu gerechtshof niet binnen zestien maanden nadat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tot een uitspraak is gekomen. De overschrijding bedraagt bijna twee maanden. Gezien deze geringe mate van overschrijding zal het gerechtshof - behoudens de constatering van het verzuim - daaraan geen verdere gevolgen verbinden.
Het gerechtshof heeft anderszijds wel rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het al ruim 31 maanden geleden is dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan en dat de verdachte in die tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de uitkomst van deze strafzaak.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof - alles afwegend - passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof zal dus een langere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank deed en dan door de advocaat-generaal is gevorderd. De reden daarvoor is dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en het strafblad van de verdachte met daarop recent opgelegde en ondergane gevangenisstraffen die langere straf passend en geboden maken. Tot een matiging van de lengte ziet het gerechtshof geen aanleiding, omdat het, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, geen reden ziet tot het opleggen van de TBS-maatregel. Dit laatste zal het gerechtshof hierna motiveren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Motivering van de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
Anders dan de rechtbank deed en de advocaat-generaal vorderde, zal het gerechtshof niet opleggen de TBS-maatregel. Het gerechtshof acht de TBS-maatregel hier niet het aangewezen middel om het recidive-risico dat uitgaat van de verdachte te beperken en om de samenleving te beschermen tegen dat risico. Dit laatste doel kan naar het oordeel van het gerechtshof in voldoende mate bereikt worden door de oplegging van de maatregel ex artikel 38z Sr. Gelet op dit standpunt van het gerechtshof is niet relevant de vraag of de verdachte - vanwege diens weigering om in 2023 mee te werken aan onderzoek in het Pieter Baan Centrum en diens weigering om in 2025 mee te werken aan testpsychologisch onderzoek - dient te worden aangemerkt als een weigerende observandus in de zin van artikel 37a,vierde lid Sr. Evenmin relevant is of het testpsychologisch onderzoek al dan niet is aangeboden aan de verdachte.
Het gerechtshof heeft met betrekking tot de vraag welke maatregel dient te worden opgelegd mede acht geslagen op de volgende vier rapporten die over de persoon van de verdachte zijn opgemaakt.
Het rapport van 17 augustus 2023, opgemaakt door [naam] , psychiater, en [naam] , GZ-psycholoog, werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, inhoudende onder meer:
Betrokkene heeft vanuit zijn procespositie geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat zijn weigering gestoeld is op psychopathologische motieven.
(…)
Ondanks zijn weigering is er op basis van deze informatie, de contactmomenten en de indrukken tijdens de groepsobservatie wel een beeld ontstaan van betrokkene.
(…)
Er is sprake van een pervasief en duurzaam patroon van antisociaal gedrag en onverantwoordelijk gedrag. Aan dit pervasieve en langdurige patroon van disfunctioneren kunnen diverse stoornissen ten grondslag liggen.
(…) Al met al zijn er wel aanwijzingen voor beperkingen met betrekking tot de verstandelijke vermogens.
(…)Betrokkene is verslavingsgevoelig. Er is sprake van langdurig gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol, hetgeen ook tot problemen heeft geleid. (…) Zijn verslavingsgevoeligheid kan wel een verklaring zijn waarom hij blijft vastlopen.
Het meest waarschijnlijk is dat er aan de stagnatie van zijn algehele ontwikkeling een persoonlijkheidsstoornis ten grondslag ligt. (…) In een gestructureerde omgeving zoals binnen het PBC of in detentie zoekt hij wel de grenzen op, maar weet hij zich doorgaans wel goed te handhaven. (…) Er is een patroon van agressieregulatieproblemen, maar wat daarachter zit en wat de triggers zijn is onduidelijk. (…) De problemen met impuls- en agressieregulatie zijn van dien aard, dat het bestaan van onderliggende tekortkomingen in het psychisch functioneren van betrokkene aannemelijk is. Er zijn ook aanwijzingen voor een lacune in de gewetensvorming. (…)Gezien de chronische aard van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, was deze ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.
Het reclasseringsrapport van 3 november 2023, inhoudende onder meer:
Concluderend heeft het uitgevoerde NIFP onderzoek niet geleid tot diagnostiek en een advies over een gewenste (klinische) behandeling om gedragsverandering teweeg te brengen en (ernstige gewelds)recidive te voorkomen. Indien er een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf volgt, zal de reclassering onderzoeken of er diagnostiek in het kader van Voorwaardelijke Veroordeling (V.I.) kan plaatsvinden, dan wel in het kader van een Gedragsbeïnvloedende Maatregel (GVM).

Inschatting risico’s

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.
Het rapport van 25 juni 2025, opgemaakt door [naam] , psychiater, inhoudende onder meer:
Er is bij betrokkene sprake van langdurige problematiek met criminaliteit en het zichzelf maatschappelijk niet kunnen handhaven. Eerdere behandelingen en detenties hadden geen effect. Hij heeft bij onderhavig onderzoek een antisociale attitude en heeft kenmerken van een antisociale persoonlijkheid maar onderzoeker kan geen uitspraak doen of er onderliggend aan het ten laste gelegde sprake is van een psychische stoornis in de zin van een persoonlijkheidsstoornis al dan niet in combinatie met een lage intelligentie.
(…)
Conclusie risicotaxatie
Onderzoeker kan geen uitspraak doen omtrent de kans op herhaling, met onderbouwing vanuit een eventuele psychische stoornis.
Het rapport van 20 juni 2025, opgemaakt door mr. [naam] , psycholoog, inhoudende onder meer:
Uit informatie van derden komen aanwijzingen voor psychische problematiek naar voren (zie paragraaf 2). Er komen onder andere aanwijzingen naar voren voor antisociale persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek en beperkte intellectuele capaciteiten. Onderzoeker heeft naar deze psychische problematiek of mogelijk andere psychische problematiek, als gevolg van de beperkingen van het onderzoek, dus geen onderzoek kunnen doen.
Het gerechtshof stelt op grond van de hierboven aangehaalde inhoud van de rapporten over de persoon van de verdachte vast dat een verhoogd risico op herhaling van gewelddadig gedrag van de verdachte, gericht tegen personen, aanwezig is. Er is sprake van een pervasief en duurzaam patroon van antisociaal gedrag en onverantwoordelijk gedrag
.
Hij disfunctioneert al jaren op de diverse levensgebieden en zijn leven kenmerkt zich door een patroon van agressieregulatieproblemen. Er zijn ook aanwijzingen gevonden voor een lacune in de gewetensvorming van de verdachte, alsmede aanwijzingen voor beperkingen met betrekking tot zijn verstandelijke vermogens. Daarnaast is bij de verdachte sprake van verslavingsgevoeligheid.
Het gerechtshof is van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden.
Toekomstige risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kunnen door de oplegging van de maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht voldoende worden beperkt.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z lid 1 Sr is voldaan.
De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten een geweldsdelict en vermogensdelicten met een geweldscomponent. Aan de verdachte wordt ter zake van deze strafbare feiten bovendien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van het gerechtshof is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen Het gerechtshof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van deze maatregel overgaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 19,00 en immateriële schade ten bedrage van € 2.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de
materiële schadeis het gerechtshof niet gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat deze benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat het gerechtshof naar billijkheid vaststelt op € 500,00 ter zake van immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten. Die worden tot aan dit moment aan de kant van de benadeelde partij begroot op nihil.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat deze benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder
3 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat deze benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder
3 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z, 45, 47, 57, 138, 282, 300, 312 en
317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
12 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en
€ 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 131 (honderdeenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 131 (honderdeenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. E.W. van Weringh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 31 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken