ECLI:NL:GHARL:2025:4848

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
P25/48
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van terbeschikkingstelling met twee jaar in het kader van recidivegevaar en behandelimpasse

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 juni 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 januari 2025. De rechtbank had de terbeschikkingstelling van de terbeschikkinggestelde, geboren in 1984, met twee jaar verlengd en het verzoek om observatie in het Pieter Baan Centrum afgewezen. Het hof heeft de zaak behandeld met inachtneming van de stukken en de zitting van 5 juni 2025, waar de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en de raadsman, mr. J.A.W. Knoester, aanwezig waren.

De terbeschikkinggestelde heeft in hoger beroep niet de verlenging van de terbeschikkingstelling als zodanig betwist, maar de duur van de verlenging. Hij stelt dat de huidige maatregel, gezien de behandelimpasse en het hoge recidivegevaar, in feite overeenkomt met een levenslange gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank, waarbij hij stelde dat er geen schending van artikel 5 EVRM is.

Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist en dat de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar gerechtvaardigd is, gezien de stoornis van de terbeschikkinggestelde en het aanhoudende recidivegevaar. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank bevestigd, met de aanvulling dat er geen sprake is van willekeurige vrijheidsontneming en dat de uitkomst van de tweede LFPZ-aanvraag nog onduidelijk is. Het hof heeft als uitgangspunt genomen dat de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar noodzakelijk is, gezien de tijd die nodig is voor behandeling en resocialisatie.

Uitspraak

TBS P25/48
Beslissing van 19 juni 2025
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
verblijvende in [instelling] , verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 januari 2025. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en afwijzing van het verzoek de terbeschikkinggestelde te laten observeren in het Pieter Baan Centrum.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 28 januari 2025 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
- de pro Justitia rapportage (onderzoek ter advisering over wenselijkheid plaatsing in Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg (LFPZ) ) van psychiater A.A.R. de Kom van 7 maart 2025 en van psycholoog L.M.L. Thung van 14 april 2025;
- de aanvullende informatie van [instelling] van 15 mei 2025, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 30 oktober 2023 tot en met 15 april 2025.
Het hof heeft ter zitting van 5 juni 2025 gehoord de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling als zodanig, maar tegen de duur van de verlenging. Op 26 februari 2024 heeft de rechtbank de maatregel met een jaar verlengd omdat er sprake was van een behandelimpasse. Uit de rapporten van de pro Justitia rapporteurs Thung en De Kom over de wenselijkheid van de LFPZ-status en uit de verschillende verslagen van de gehouden zorgconferenties blijkt dat behandeling mogelijk wordt geacht, maar de klinieken vinden behandeling te risicovol. Inmiddels is er een nieuwe aanvraag voor de LFPZ in voorbereiding en uit de rapporten van eerdergenoemde rapporteurs volgt wederom dat een behandeling mogelijk wordt geacht, maar de situatie van de terbeschikkinggestelde verandert daardoor niet. Hij heeft nog steeds de Extreem Vlucht- en Beheers Gevaarlijk (EVBG) status en de wachttijd voor plaatsing op de LFPZ-afdeling is ongeveer tien jaar. Zijn situatie is uitzichtloos en hierdoor komt de huidige maatregel overeen met een levenslange gevangenisstraf. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaar is daarom in strijd met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het is in het belang van de terbeschikkinggestelde dat de impasse in het behandeltraject spoedig doorbroken wordt. Deze duurt al te lang. De raadsman heeft daarom verzocht om de verlenging van de maatregel te beperken tot een jaar.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het indexdelict is gepleegd tijdens een eerder opgelegde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In die tijd dacht men dat het goed ging met de terbeschikkinggestelde en dat hij het aankon, maar het ging vreselijk mis tijdens een begeleid verlof. Daarna is het nog eens goed mis gegaan binnen de kaders van de kliniek. Uit de aanvullende informatie volgt dat het zeer ingewikkeld is om de betrouwbaarheid en de openheid van de terbeschikkinggestelde in te schatten en dat daarom nog stringent risicomanagement nodig is. Het is tijdens zijn behandeling onmogelijk gebleken om risico's te evalueren, objectiveren en in te schatten, met telkens ernstige gevolgen. De kernproblematiek van de terbeschikkinggestelde is nog onbehandeld en het recidiverisico is onverminderd hoog met of zonder maatregel. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt verlengd. Al enige tijd is er sprake van een patstelling. Uit de verschillende zorgconferenties komt naar voren dat er geen andere klinieken zijn waar hij terecht kan. Inmiddels is de terbeschikkinggestelde voor de tweede keer aangemeld voor de LFPZ. De verwachting is dat het traject meer tijd in beslag neemt dan de tijd die resteert bij de verlenging met een jaar. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep. Er is geen sprake van schending van artikel 5 EVRM.
Het oordeel van het hof
Bevestigen
Het hof is, onder aanvulling van gronden als hierna weergegeven, van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die aanvulling bevestigen.
Geen strijd met artikel 5 van het EVRM
Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, constateert het hof dat er sprake is van een patstelling in het behandeltraject. De terbeschikkinggestelde is in het kader van een eerder opgelegde terbeschikkingstelling jarenlang behandeld geweest. Deze behandeling heeft onvoldoende effect gesorteerd en heeft een ernstige recidive in 2012 tijdens een begeleid verlof niet kunnen voorkomen. Hiervoor is de terbeschikkinggestelde een gevangenisstraf opgelegd en daarnaast de huidige maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Nadat de terbeschikkinggestelde de aan hem opgelegde gevangenisstraf had uitgezeten en na aanvang van de huidige maatregel op 7 januari 2016, is hij opnieuw gerecidiveerd op 24 oktober 2016, deze keer binnen een FPC. Ook voor dit feit is hij tot een gevangenisstraf veroordeeld, met als gevolg dat de termijn van de terbeschikkingstelling is opgeschort. Sinds november 2020 verblijft de terbeschikkinggestelde met een EVBG-status in de huidige kliniek. In 2022 is een LFPZ-aanvraag afgewezen. Er zijn de afgelopen jaren meerdere zorgconferenties gehouden om onder meer te bespreken of en hoe het risicomanagement vormgegeven kan worden. Er zijn ook meerdere afwijzingen van klinieken die de terbeschikkinggestelde niet willen of kunnen behandelen. Volgens de kliniek is er nog steeds sprake van stoornissen en het recidiverisico is onveranderd hoog. De kliniek ziet geen therapeutische mogelijkheden om door middel van interventies de kans op ernstig seksueel en agressief gedrag te verminderen. Bij de terbeschikkinggestelde zijn signalen niet in kaart te brengen. Inmiddels is er een tweede LFPZ-aanvraag gedaan.
Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat een verlenging van de maatregel niet in strijd is met artikel 5 EVRM nu er gelet op de stoornis en het hoge recidivegevaar toereikende gronden zijn om tot verlenging van de maatregel over te gaan. Van een willekeurige vrijheidsontneming is geen sprake. Voorts is ook thans nog onduidelijk wat de uitkomst zal zijn van de tweede LFPZ-aanvraag.
Uitgangspunt verlengingsduur
Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt met aanvulling van grondende beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 januari 2025 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde,
[terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr. W.A. Holland, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. M. Keppels, raadsheren,
en drs. I.E. Troost en dr. K.J. de Wijs-Heijlaerts, raden,
in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier,
en op 19 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.