ECLI:NL:GHARL:2025:490

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.344.433/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking parkeren gehandicaptenparkeerplaats wegens onvoldoende bewijs

De betrokkene kreeg een sanctie van €410 opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats met een niet-geschikt voertuig. De betrokkene voerde aan dat het voertuig niet op de gehandicaptenparkeerplaats stond, maar in het vak erachter, ondersteund met afbeeldingen van de situatie.

De ambtenaar kon niet met zekerheid aangeven waar het voertuig precies stond geparkeerd en beschikte niet over een foto van de gedraging. Het hof oordeelde dat zonder nadere toelichting of bewijs niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de overtreding had plaatsgevonden.

Daarom vernietigde het hof de sanctiebeschikking en de eerdere beslissingen, en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. Dit arrest bevestigt het belang van voldoende en concreet bewijs bij bestuurlijke sancties.

Uitkomst: De sanctiebeschikking voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.433/01
CJIB-nummer
: 254441885
Uitspraak d.d.
: 30 januari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 410,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 december 2022 om 00:09 uur op [adres] , ter hoogte van huisnummer 93, in [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken1] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene zijn voertuig niet heeft geparkeerd op de gehandicaptenparkeerplaats, maar in het vak erachter. Doordat het bord E6 gedraaid hangt, leek het wellicht alsof het voertuig van de betrokkene op de gehandicaptenparkeerplaats stond.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E6 RVV 1990 aangeduide gehandicaptenparkeerplaats. Blijkens het onderbord is het gebruik van deze gehandicaptenparkeerplaats voorbehouden aan het voertuig met kenteken [kenteken2] .”
5. De ambtenaar heeft in een aanvullend proces-verbaal van 12 november 2024 verklaard dat hij zich de situatie niet kan herinneren, zich niet kan voorstellen dat hij niet heeft gelet op het voertuig en hoe het bord geplaatst was en dat hij niet in het bezit is van een foto van de gedraging.
6. Het dossier bevat daarnaast een aantal door de gemachtigde overgelegde afbeeldingen van Google Street View van de situatie. Hierop is het volgende te zien. Aan de rechterzijde van de weg bevinden zich parkeervakken, telkens twee parkeervakken achter elkaar, met daartussen een boom. Ter hoogte van huisnummer 93 is het voorste van de twee parkeervakken aangeduid als gehandicaptenparkeerplaats. Op het wegdek is een wit kruis aangebracht in dit vak en naast het parkeervak hangt aan een lantaarnpaal, ter hoogte van de achterwielen van het in dat vak geparkeerde voertuig, een bord E6 met een onderbord met daarop het kenteken [kenteken2] . Het bord is haaks op de weg geplaatst, enigszins naar de weg gedraaid. Van de twee parkeervakken daar weer achter is het achterste parkeervak aangeduid als gehandicaptenparkeerplaats. Dit vak bevat ook een wit kruis en achter het parkeervak is, naast een boom, een bord E6 geplaatst.
7. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert reden eraan te twijfelen dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op de gehandicaptenparkeerplaats. De gemachtigde stelt dat het voertuig van de betrokkene niet op de gehandicaptenparkeerplaats stond, maar in het parkeervak daarachter en voert daartoe aan, met overlegging van afbeeldingen van de situatie, dat het bord gedraaid was en bij de andere parkeervakken het achterste parkeervak een gehandicaptenparkeerplaats is. De ambtenaar stelt daar tegenover slechts dat het voertuig geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats, zonder aan te geven hoe de situatie zich voordeed, met name waar/in welk parkeervak het voertuig van de betrokkene exact stond geparkeerd. Gelet op wat de gemachtigde aanvoert was een nadere toelichting waarin de ambtenaar had verklaard in welk parkeervak het voertuig stond geparkeerd op zijn plaats geweest. Ook een foto van de gedraging had duidelijkheid kunnen geven. Omdat de ambtenaar verklaart zich de situatie niet meer te kunnen herinneren, is er geen aanleiding om alsnog om deze informatie te vragen. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.457,25 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (2,5 x € 907,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.457,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.